Net voor de deur met een klik in het slot viel, hoorde Léonie de vertrouwde stem van haar moeder nog weerklinken:  ‘Wees voorzichtig, kind. Ge weet niet wat er rondloopt op de dijk bij valavond.’
Leonie zuchtte even en glimlachte. Ze mompelde een haast onhoorbaar: ‘Ja, moeder’. Daarna keerde ze de bloemenwinkel van haar ouders de rug toe en haastte zich naar de Albert I-promenade. Ze moest en zou de zee zien. Ze wilde de zilte geur opsnuiven, haar hoofd leegmaken en halthouden bij het vertrouwde bankje, aan De Drie Gapers. Wie weet was Theo er die avond wel. Wie weet zou hij vertellen wat ze écht wilde horen.

Niet dat Leonie er een gewoonte van maakte om in het geheim afspraakjes met mannen te maken. Integendeel. Ze was de enige dochter uit een deftige middenstandersfamilie. Toen ze geboren werd, op die prille lentedag in 1925, gingen de zaken voor vader en moeder Rombouts uitstekend. De bloemenwinkel die ze runden in de Adolf Buylstraat en die Charles Rombouts had geërfd van zijn vader, kreeg aardig wat klanten over de vloer. De rijke Oostendse burgerij was laaiend enthousiast over Charles’ orchideeënkweek. Hij kon de bestellingen nauwelijks bijhouden en prees zich gelukkig dat zijn echtgenote Céleste meehielp in de zaak: zonder haar zou de chaos niet te overzien zijn.

Toen ze in de zomer van 1924 wisten dat er een baby op komst was, twijfelde Charles voor het eerst. Of hij de zaak kon blijven bolwerken, eens dat kind er was. En of het niet absurd was om Céleste tot vlak voor de bevalling te laten meedraaien in de winkel.
‘Ge zult rust nodig hebben, Céleste, zeker als die kleine er is. Ge kunt niet blijven helpen en commandes afwerken, of de trein nemen om nieuwe stekken op de veiling in Brussel te halen.’
Céleste was vertrouwd met de reacties, al werden die naarmate haar rondingen meer opvielen, steeds frequenter. Ze bood Charles’ onzekerheid het hoofd.
‘T’en fais pas’, zuchtte ze telkens. ‘We zien wel als het zover is. Als gij u met de bloemen en de klanten bezighoudt, zorg ik wel voor die kleine. Ge zult er fier op zijn, Charles, en iedereen in Oostende zal weten dat de erfenis van Rombouts verzekerd is voor de toekomst.’

Hadden ze misschien allebei stiekem op een zoon gehoopt? Céleste had het nooit met zoveel woorden aan Charles gezegd. Ook niet toen Léonie op die lentedag, net na haar geboorte, voor het eerst bij haar moeder aan de borst dronk. Het was een schoon kind, dacht Céleste. Dat was het enige wat telde en de blik in Charles’ ogen sprak boekdelen. Hij was gebiologeerd door zijn dochter. Hij telde eindeloos vingers en teentjes, raakte haar met fluwelen handen aan. Ze was zijn Leonie. Zijn eerstgeborene. En over de verderzetting van het geslacht-Rombouts werd nooit meer gepraat.

Léonie groeide op tussen zorgeloosheid en zoute lucht. Nog voor ze haar eerste stappen alleen kon zetten, kon ze uren turen naar de zee, op wankele voeten en met een hand verbonden aan haar vader. Charles maakte er op zondag een gewoonte van om met zijn dochter naar de dijk te wandelen. Ze namen de korte weg, via de Hertstraat, als er nog dringende bestellingen voor maandag lagen te wachten. Op kalme momenten stapten Léonie en haar vader via het Marie-Joséplein en de Westhelling tot aan de promenade. Een fikse tocht, maar geen meter was er te veel aan voor de kleine Léonie. Ze wist dat de zee aan het eind lag: de grootste beloning. Voor zover Charles zich kon herinneren, was het ook het eerste woord dat zijn dochter van tussen haar felrode lippen perste: zee. Die anekdote vertelde hij honderd, zo niet duizend keer: aan de trouwste klanten, aan zijn makkers, aan iedereen die het horen wilde.

Toen Léonie vijftien was, werd alles plots anders. Het begon op een doodgewone maandagochtend, ergens in september. Céleste had de avond ervoor nog de huistaken van haar dochter overlopen: ze liep school in het lyceum bij de nonnen, er werd veel van haar verwacht. Maar de jongedame deed het voortreffelijk. Ze scoorde hoge cijfers voor taal, voor wetenschappen en voor wiskunde. Céleste had het meermaals aan Charles gezegd: ‘We zijn gezegend met dat kind, mon cher Charles. Ook al fluisteren mensen weleens dat ge geen échte erfgenaam hebt voor de zaak: zij gaat het maken. Ze is van goeden huize, en ik zei het al voor we haar de eerste keer vasthielden: ge zult er fier op zijn. Bekijk die schoolcijfers eens: waar er geen negens staan, staan er tienen. La fille la plus douée de la ville, c’est la nôtre.’

Op zulke momenten had Charles meestal stilzwijgend geglimlacht. Goede cijfers waren een zegen, uiteraard, maar hij kon het geluk van zijn echtgenote toch niet zomaar verbrodden? Of haar zeggen hoezeer het hem dwarszat, dat ‘zoon Rombouts’ na al die jaren een ongeboren wens was gebleven? Na Léonie had Céleste nog twee miskramen gehad, en een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. De artsen stelden hun veto: geen kinderen meer, de risico’s waren te groot. Het nieuws had Céleste, die op dat moment de handen vol had met de piepjonge Léonie, compleet van streek gemaakt. Zij moest de hardste noot kraken, besefte Charles, en haar opzadelen met zijn ongenoegen over de zoon die er niet was zou ongepast zijn. Hij verbeet en verborg zijn verdriet. Hij verkoos het stilzwijgen.

Die bewuste maandag waarop het tij keerde, woog die stilte zwaarder dan ooit. Léonie trof haar moeder kort voor schooltijd aan een lege ontbijttafel aan. Eerst dacht ze nog dat haar vader al vroeg op pad was om grafwerk te leveren, aan de Petrus- en Pauluskathedraal: dat gebeurde wel vaker, aan het begin van een week. Maar toen ze de rooddoorlopen ogen van haar moeder zag die wezenloos voor zich uit staarde, begreep ze dat er meer aan de hand was. Er ontbrak iets in de achterkeuken ten huize Rombouts. Léonie kon er de vinger niet op leggen, tot Céleste ijskoud meedeelde: ‘Papa nous a quitté, petite. Hij is weg.’
Léonie wist niet wat ze hoorde. Weg? Zomaar? Daar was toch geen reden voor? Met die argumenten probeerde ze haar moeder te sussen.
‘Dat kan niet, moeder. Papa zou zoiets nooit doen. De zaken lopen goed. Hij is content! De vraag naar bloemstukken en boeketten is niet bij te houden. Gisteren vertelde hij nog dat hij volgend jaar mag leveren voor het Bal des Rats Morts. Een omzet van een maand op een dag, zei hij erbij. Waarom zou hij weglopen?’
Céleste bleef voor zich uit staren. Ze hoorde de woorden, maar registreerde ze niet echt. Ze wreef zenuwachtig met haar handen over elkaar: alsof ze wou bidden maar er niet in slaagde. Ze veegde tranen weg en fluisterde gesmoord: ‘Vertrek maar gauw naar school kind, voor ge Moeder Overste achter u aan krijgt. Ge weet wat ze zeggen over laatkomers op het lyceum: die bakken er niks van, als ze groot zijn. Allez hop, vite, vertrek!’

Meer werd er over de ‘verdwijning’ van Charles ten huize Rombouts nooit meer gezegd. Léonie keerde diezelfde avond en de avonden erna naar huis, na schooltijd. Ze vond haar moeder telkens in de keuken en zag dat de winkel potdicht bleef. Geen bloemblad werd nog weggeveegd, geen snoeitang verlegd. De zaken vielen stil, de blinden bleven dicht. Naast de raambelettering ‘Ets. Rombouts – Floristen’ hing een bescheiden kaartje: gesloten. Tegen de maand november was het voor iedereen duidelijk dat Charles Rombouts voorgoed met de noorderzon verdwenen was. Er kwamen geen bestellingen meer binnen, de toonbank van de bloemenwinkel was gehuld onder een dun laagje stof. De laatste bloeiende orchideeën lieten weemoedig hun kopjes hangen: het einde van een hoofdstuk. Alleen het notitieboekje, waarin Charles zijn laatste bestelling had neergepend, herinnerden aan wat ooit een bloeiende familiezaak was geweest.

Het gebrek aan inkomsten woog en Céleste zette na weken tobben haar trots opzij. Ze ging zich aanmelden bij een rijke familie in de Mimosalaan, als huishoudster. Toen Léonie over haar moeders plannen vernam, vluchtte ze voor de eerste keer naar het bankje aan De Drie Gapers. Het voelde alsof haar hele leven in duigen viel: vader weg, moeder radeloos en blut. De grandeur van de bloemenzaak ruimde langzaam plaats voor een schamel bestaan. Léonie wist dat er op school al over geroddeld werd. Ze verbeet de frustratie en het verdriet en zocht steeds vaker de dijk en de zee op, om rust te vinden. Het bankje, op die ene plek, was haar geliefkoosde eindhalte. En het was daar dat ze op een doodgewone dinsdag Theo aantrof. Hij had haar zelf aangesproken, toen ze stilzwijgend het ruisen van de zee en het gekrijs van een eenzame meeuw aanhoorde.

‘Ge komt hier vaker, zie ik’, zei hij toen Léonie voor de zoveelste keer adem zocht op de dijk. Het was een late woensdagnamiddag, in november. Ze zat neer, keek naar golven, voelde de koude najaarsbries in haar nek blazen.
‘Zijt gij niet Léonie, de dochter van Rombouts, van die bloemenwinkel in het centrum?’
Léonie had het gevoel dat ze versteende. Ze durfde niet reageren, wist niet wat de man van haar wou. Ze hield haar blik strak op de zee gericht. Zonder opdringerig te worden, sprak hij haar nog eens aan.
‘Misschien moet ik mezelf even voorstellen: ik ben Theophiel Gijsbrecht. Maar ge moogt Theo zeggen. Zo noemen de meeste mensen mij. Uw vader en ik waren kameraden, toen we destijds schoolliepen aan het Onze-Lieve-Vrouwcollege. Hij was als jonge gast al verzot op bloemen. Hij kon er uren over doorbomen, wist alles van scheuten, enten en kweek af. We wisten dat hij er zijn metier van zou maken.”

Léonie hoorde ieder woord maar wist niet wat ze ervan moest denken. Theo Gijsbrecht? Haar vader had die naam nooit vernoemd. Misschien was het een groot verzinsel, wat hij nu aan haar vertelde. Misschien wilde hij gewoon aandacht. Léonie bleef op haar hoede en dacht aan de woorden van haar moeder, telkens ze naar de dijk vertrok: ‘Wees voorzichtig, kind. Ge weet niet wat er rondloopt op de dijk bij valavond’.

Toen ze haar hoofd draaide om toch iets vragen, was Theo al verdwenen. Meegevoerd met de wind, overal en nergens heen. Léonie wreef even in haar ogen en dacht even dat ze zich alles ingebeeld had. Maar tegelijk wist ze dat haar indrukken haar zelden bedrogen: die man had er wel degelijk gezeten. Hij had haar als eerste aangesproken en hij wist wie haar vader was. Theo. Ze moest en zou hem terugzien.

Het was een drietal dagen later toen Léonie opnieuw van huis vertrok, kort voor etenstijd. Céleste begon zich zorgen te maken over de escapades van haar dochter.
‘Wat spookt ge in godsnaam uit, fillette, op zo’n uur, daar op die plek? Stance van de Mimosalaan vertelde me dat ze u daar al een paar keer zag zitten, tijdens haar avondwandeling. Ge zijt toch niet met rare dingen bezig?’
‘Neen, moeder, maak u geen zorgen’, glimlachte Léonie. ‘Ik vind het daar gewoon fijn. En in stilte herhaal ik mijn Franse vervoegingen en flarden wiskunde terwijl ik neerzit en naar de golven kijk. Zijt ge nu gerustgesteld?’

Céleste fronste de wenkbrauwen. Ze geloofde haar dochters relaas maar half, maar desondanks stemde ze in om Léonie te laten gaan. De dochter van Rombouts was geen klein meisje meer, besefte ze. Die kon stilaan haar mannetje staan. Léonie beloofde tegen halfacht terug thuis te zijn, zodat ze het laatste restje van het avondeten nog kon meepikken. Toen ze weer aan het bankje bij De Drie Gapers arriveerde, zat Theo haar op te wachten.
‘Blij dat ge gekomen zijt, juffrouw. En mijn excuses dat ik de laatste keer zo plots vertrok: ik besefte dat ge misschien te zeer onder de indruk waart. Of te zeer ontroerd. Uw vader is al een poosje weg, nietwaar.’
‘Ja’, zei Léonie stil. ‘Niemand weet waarheen. Weet u het eigenlijk? Iedereen zwijgt over hem, gelijk hij nooit bestaan heeft. Er zijn alleen de roddels op school. Daar fluisteren ze achter mijn rug dat mijn vader een ander heeft. En dat hij ons daarom in de steek liet.’

Theo Gijsbrechts hoorde elk woord. Hij voelde de draagkracht ervan. Hij wist hoezeer de beslissing van Charles Rombouts het leven van zijn vrouw en dochter overhoop had gehaald. Maar hij wist ook dat Charles, in al zijn gedrevenheid, altijd een zoekende ziel was geweest: verzot op bloemen, dromend van een eigen zaak. Die eigen zaak moest en zou hij op een dag aan een kerngezonde zoon doorgeven. Maar de zoon was er nooit gekomen. Het had hem zodanig overstuur gemaakt, dat hij er op een stille maandag de brui aan gaf en verdween.

Terwijl Theo zich al die feiten weer voor de geest haalde, besefte hij dat het aartsmoeilijk was om dit uit te leggen aan een tienermeisje. Hoe vastberaden ze ook was in haar doen en laten: ze voelde zich in de steek gelaten en was niet echt klaar voor een snijdende waarheid. Dat grote mensen soms radicaal het roer omgooiden. Dat ze een eigen kind doodgraag zagen, maar het gemis aan een ander kind niet verteerd kregen, waardoor alles stopte. Waardoor ze wegvluchtten om met zichzelf in het reine te komen.

‘Uw vader heeft u niet zomaar achtergelaten, weet ge’, begon Theo voorzichtig. ‘Hij had gewoon… dingen aan zijn hoofd. Er zaten krassen op zijn ziel. Zijn grootste wens was dat hij op een dag de zaak zou overdragen aan een zoon. Bloemen waren zijn leven. En toen…’
‘Toen wat?’, onderbrak Léonie hem.
‘Toen waart gij daar plots. Een wolk van een kind: ik hoor het Charles nog zeggen, toen we elkaar jaren geleden troffen in een café ter hoogte van de Van Iseghemlaan. Ze is een godsgeschenk, zei hij, en als ik nu ook nog zo’n zoon kon krijgen, dan…’

Theo viel even stil. Hij zuchtte. ‘Het was niet dat hij u minder graag zou hebben gezien. Maar de eer van een zakenman, en het hart voor zijn metier: het zorgt ervoor dat hij soms niet meer nuchter denkt. Op den duur zag uw vader alleen nog dat kind dat er niet was. De broodnodige erfgenaam. Ge hebt het nooit gemerkt, maar hij zonk weg in verdriet. Hij heeft er u en uw moeder altijd voor willen behoeden. Hij wou niemand kwetsen. Hij vertrok, denk ik, omdat hij vond dat hij voor iedereen een last was geworden. Klinkt dat gek?’

Léonie wist niet wat geantwoord. Ja, het klonk gek. Het klonk zelf absurd: een gezin in de steek laten, omdat je het te graag zag? Dat sloeg toch nergens op?
‘Hij had iets kunnen zeggen. Of een briefje nalaten. Hij had het recht niet om ons zomaar in de steek te laten’, sprak Léonie kordaat. ‘Dat vergeef ik hem nooit.’
Ze snikte. Theo glimlachte en keek voor zich uit. Met meer dan 40 jaar op de teller besefte hij dat tieners nu eenmaal zo tegen het leven aankeken. Er was zwart en er was wit, geen ruimte voor nuances. En wie een zware misstap zette, kon dat volgens hen ook nooit meer goedmaken.
‘Niet vergeven is hard’, zei Theo rustig. ‘Dan is alles écht voorbij. Is het dat wat ge wilt?’
Er viel een lange stilte. Leonie tobde en zei toen stil: ‘Neen.’
‘Wat wilt ge dan wel?’
‘Dat hij terugkeert. Zoals de zee. Die gaat en komt ook altijd terug. Daarom hou ik zo van de zee en van deze plek. Ik wou dat mijn vader terugkeerde als de golven.’

Er rolden dikke tranen over Léonies wangen. Theo stond recht en legde een bemoedigende hand op haar schouder.
‘Tijd, Léonie, tijd. Dat is het enige wat ge echt in handen hebt. Ge zult het daarmee moeten doen. En de rest komt en gaat, inderdaad, gelijk de zee. Soms is dat voor even, soms voor eeuwig. Zolang ge kunt vergeven, is er hoop. Onthou dat.’

Léonie sloot haar ogen. Ze snikte. Alles leek mistig. Ze wou dat ze hier en nu nog honderd dingen kon vragen en zeggen, maar toen ze opkeek was Theo opnieuw verdwenen.
In de verte hoorde Léonie de klokken van de kathedraal kort luiden: halfacht. Ze schrok. Ze had de tijd uit het oog verloren en haar moeder zou ongerust zijn. Léonie trok de kraag van haar mantel omhoog, voor ze zich naar huis haastte. Maar ze vertrok niet zonder een laatste blik op de dijk en de zee te werpen. Het ruisen van de golven maakte haar kalmer.
Misschien, besefte ze, heel misschien kwam haar vader terug. Mettertijd. Ooit. En tot het zover was, zouden de dijk en de zee haar troost bieden en haar leren leven met het verlies en de kunst om te vergeven.

EINDE

De dijk / Léon Spilliaert