In de duinen nabij de vuurtoren van Oostende was het al een hele tijd niet meer pluis. Er gebeurden mysterieuze verdwijningen, men hoorde er vreemde stemmen, de wind blies er keihard terwijl het elders rustig was, en dergelijke. Niemand begreep er iets van! De inwoners van Oostende durfden zich er niet meer wagen. Bijna iedereen kende wel iemand die ze nooit meer teruggezien hadden na een wandelingetje door die duinen. Zelfs de vissers durfden niet meer in de zee ter hoogte van die duinen vissen; ze voeren er telkens in een grote boog omheen en sloegen veel verder hun netten uit.

Op zekere dag riep burgemeester Erinys alle wijze vrouwen en mannen samen in het stadhuis. Iedereen kon al vermoeden waarover de vergadering zou gaan. Het werd muisstil toen de burgemeester het woord nam.
‘Beste mensen, zo kunnen we niet verder leven ! Het wordt tijd dat er iets verandert aan die situatie in de vuurtorenduinen! Ondertussen heb ik al een idee in welke richting we moeten zoeken: volgens mij heeft het iets te maken met Cybele, die oude weduwe, die in dat bouwvallig hutje aan de rand van de duinen woont. Ik vind haar gedrag erg vreemd: ik zag haar daar al regelmatig ronddolen bij zonsondergang, terwijl ze een mix van gezangen en gebeden uitkraamde. Bovendien verdwijnt iedereen daar, maar zij keert telkens terug! Dus besluit ik dat zij er iets moet van af weten of misschien zelfs verantwoordelijk is voor alle onheil!’

De mensen werden rumoerig: ze vroegen hun buur of die Cybele daar gezien had.
‘Cybele is niet goed snik! Ze is te onnozel om iemand te laten verdwijnen!’, riep een jonge man.
‘Daar zou ik niet zo zeker van zijn’, weerlegde Erinys, ‘in de grootste gekken schuilen soms de grootste misdadigers! Luister, is iemand bereid om de oude weduwe in haar woonst te bezoeken?’
Opnieuw rumoer: Cybele werd door alle dorpelingen gemeden als de pest. Wie vroeger nog met haar gesproken had, herinnerde zich hoe ze voortdurend rochelde en niets dan onzin uit haar botten sloeg. Iedereen had wel iets beter te doen dan zich met die gekkin bezig te houden…
‘Wel, edelachtbare Erinys, u kunt het zo goed uitleggen! Zou u er beter niet zelf heen gaan?’
‘Ok. Dat is afgesproken’, antwoordde de burgemeester zonder aarzelen. Morgenochtend trek ik erheen!’
Sommige mensen gaven Erinys spontaan applaus. Anderen schudden niet-begrijpend het hoofd: ‘En hij denkt dat hij uit de wartaal van dat onnozel vrouwmens wijzer zal worden…’


De burgemeester hield woord: bij het krieken van de ochtend klopte hij aan de deur van Cybele. Het bleef echter stil… mysterieus stil…
‘Koekoek, hier ben ik!’, klonk het plots achter zijn rug, ‘denk je dat ik je niet gezien heb?’
‘Inderdaad een onnozel wijf’, dacht Erinys, ‘wat zal ik hier te horen krijgen?’.
‘Ik ben niet zo gek als iedereen van mij denkt’, raadde Cybele zijn gedachten. ‘Ik weet maar al te goed wat er in deze wereld gebeurt: vele verkeerde en slechte dingen… Veel te veel… Ik weet ook waarom je hier bent… Je had trouwens al veel vroeger moeten komen… Want ondertussen wordt het altijd erger en erger…’
‘Kom binnen in mijn nederige stulp’, vervolgde de oude weduwe, ‘ik zal je alles vertellen wat ik weet!’

Erinys wist niet wat hij hoorde en volgde nieuwsgierig de strompelende vrouw naar binnen. In het kleine huisje zag het er verrassend ordelijk en netjes uit: de tafel was opgeruimd, twee stoelen stonden eronder, de laden van de kasten waren dicht, er slingerde niets rond. Cybele gebood Erinys plaats te nemen op één der stoelen en ging tegenover hem aan de tafel zitten.
‘Luister, meneer de burgemeester, ik weet wie de mysterieuze verdwijningen veroorzaakt… want daarvoor ben je hier… is het niet?’
‘Inderdaad’, antwoordde Erinys. Eigenlijk was hij verbaasd over haar directheid en vooral over haar helderheid van geest.
‘Het is heel eenvoudig: iedere avond, exact een uur na zonsondergang, suist over de duinen een heks op een vliegend paard voorbij.’
Op een vliegend paard?’, vroeg de burgemeester, ‘ik dacht dat heksen op een bezem vlogen’.
‘Nee, je hoort het goed: op een vliegend paard! Laat mij verder vertellen: het is niet toevallig dat die heks zich met een paard in plaats van een bezem verplaatst. Een paard is groter en sterker! Begin je te begrijpen wat het verband met de verdwijningen is?’

Erinys begreep het niet, maar zweeg en luisterde verder.
‘Het is nochtans duidelijk: telkens iemand toevallig in de duinen aanwezig is tijdens haar doortocht, licht ze het slachtoffer gewoon van de grond… en hop: het paard op! Die persoon is zo erg de kluts kwijt, dat zij of hij niet tegenstribbelt en zich laat wegvoeren. Eénmaal heeft een bokskampioen heftig weerstand geboden en toen is hij vanop 100 meter hoogte te pletter gestort. Maar meestal verdwijnt het slachtoffer dus met de heks in de lucht… En ik weet waarheen al die mensen of dieren gebracht worden!’

‘W… weet je dat echt?’, hakkelde Erinys. Hij viel van de ene verbazing in de andere.
‘Wil je het weten?’, vroeg Cybele. ‘Ja, natuurlijk wil je het weten! Luister goed: al die slachtoffers worden gebracht naar een klein eiland in de Waddenzee! Daar staat een reusachtige kooi, zo groot als een wijk in jouw stad, waarin alle dieren en mensen opgesloten worden!’
‘Maar wat heeft die heks aan zo’n reuzengevangenis?’ Erinys had moeite om haar verhaal te geloven.
‘Je hoeft me niet te geloven, beste burgemeester. Maar weet je waarom die heks zo’n gevangenis bouwde? Omdat ze een genadeloze vleeseter en kannibaal is: ze eet het liefst mensen, maar als ze die niet vindt, verslindt ze wel een konijn of een scholekster… Levend! Met huid en pluimen en ingewanden! Ik zal je de beschrijving van haar eetgewoonten besparen!’

De burgemeester walgde… wat afschuwelijk… als het waar was tenminste!
‘Ik zweer op de ziel van mijn overleden echtgenoot dat het waar is!’, riep Cybele luid. ‘En het wordt tijd dat we die gevangenen zo snel mogelijk bevrijden! Want elke dag worden er opgepeuzeld! Luister, eerwaarde Erinys, ik kan dit niet alleen oplossen. Ik heb de hulp van je hele stad nodig… Maar het probleem is dat ze denken dat ik gek ben, en dat ze niet willen helpen…’
‘Maak je geen zorgen’, sprak de burgemeester plots kordaat. ‘Ik zorg ervoor dat dit in orde komt en laat je zo snel mogelijk iets weten!’
Hij stond op, schudde beleefd haar hand en keerde naar het stadhuis in Oostende terug.


Erinys riep de wijzen weer samen en bracht verslag uit van zijn bezoek.  Aanvankelijk klonken ongelovige kreten en protest, maar uiteindelijk kon hij iedereen overtuigen van de dringendheid om een oplossing te vinden.

Enkele dagen later kwamen ze weer allemaal samen, op aanwijzing van Qadashu, die ondertussen contact opgenomen had met een stokoude tovenaar, die 50 kilometer in het binnenland woonde. Die tovenaar had hem verteld dat de heks en haar vliegend paard konden verslagen worden door bij volle maan de duinen vol te leggen met Sint-Jacobsschelpen. Deze schelp heeft een religieuze symboolwaarde en biedt bescherming tegen struikrovers en criminelen. Wanneer de heks en haar vliegend paard daar voorbij komen, zullen ze onmiddellijk in de lucht opgelost worden! Bovendien zullen alle verslonden wezens terug op aarde keren!

Sommige wijzen geloofden de raad van de tovenaar niet, maar de meerderheid besliste dat het de moeite loonde om het te proberen. De volgende woensdagavond zou het volle maan worden en alle Oostendenaars verzamelden ijverig Sint-Jacobsschelpen om er op de bewuste avond een tapijt over de duinen mee te maken…

Naarmate de bewuste avond naderde, werden de mensen steeds zenuwachtiger. Zou het plan echt lukken? Of was het een onnozel idee om zoveel Sint-Jacobsschelpen samen te leggen? Sommigen geloofden rotsvast in de goede afloop, anderen waren kritischer…

Op woensdag wachtte iedereen ongeduldig tot de duisternis viel en de maan in volle glorie verrees. Haar licht verspreidde een vale gloed over de duinen, het strand en de zee.  Precies een uur na zonsondergang verscheen een schim in het luchtruim: DE HEKS EN HAAR PAARD!!! De Oostendenaars, die verscholen zaten in kuilen en struiken, hielden de adem in… ‘Straks verdwijnen we allemaal tegelijk in de klauwen van die heks’, dacht Erinys.

Zijn gedachten waren nog niet koud of het wonder voltrok zich! Toen de twee wezens héél dicht genaderd waren, zo dicht dat sommigen het dier hoorden briesen, gebeurde iets ongelooflijks! De heks slaakte een ijselijke gil, het paard hinnikte en brieste tegelijk, ze begonnen als een gek rond hun as te draaien, precies alsof een windhoos hen meenam.  Ondertussen werden hun vormen steeds minder duidelijk en kleiner… tot er niets meer van hen overbleef, enkel rook en stof… Alle Oostendenaars renden uit hun schuilplaats en begonnen luid te roepen, te applaudisseren en te dansen. Ze waren door het dolle heen!

Enkele uren later vertrokken een tiental boten naar het eilandje in de Waddenzee. Erinys had hen aangemaand om het hoofd koel te houden en pas echt te feesten als iedereen terug was. Middenin een schorrengebied vonden de opvarenden inderdaad een grote kooi, waarin hun makkers zaten te jammeren en te beven. Toen de boten naderden, veerden enkelen op.
‘We komen jullie redden!!!!’, riepen ze om het luidst en zwaaiden met hun ijzerzagen.

Na wat zwoegen, geraakten enkele tralies doorgezaagd, genoeg om iedereen door te laten. Het werd natuurlijk een heuglijk weerzien met alle vermisten! Enkelen herinnerden zich dat ze verslonden werden en plots met een smak op de aarde terug gegooid werden… ze konden het zelf bijna niet geloven! Ook de aanwezige dieren werden bevrijd: de vogels konden direct uit de slag, maar de konijnen moesten meevaren in de boten van de mensen…

EINDE

Duinen / Léon Spilliaert