Dat is er: nacht en een sterrenhemel die sprookjesachtig maanmelk binnengiet in een kamer op het eerste verdiep boven een winkel in de Kapellestraat in Oostende.

Sarah ligt op een matras tussen blauwe lakens en mijlenver weg op een andere matras tussen witte lakens. Nicolas, mijlen weg en toch in dezelfde kamer. Ze hoort hem naar de badkamer gaan. Ze glimlacht. Hij is – ondanks alles – een fijn mens. Wanneer hij in het donker terugkomt, steekt ze de kloof over. Dertig centimeter stoffig vasttapijt tussen de twee matrassen. Ze komt dicht tegen hem aanliggen met een lichte, onnatuurlijke aarzeling. Opluchting wanneer ze voelt dat hij eindelijk, na tweehonderd nachten, spontaan zijn arm om haar slaat. Zijn arm warm om haar blote lichaam. Met een vage glimlach valt ze in een onvaste slaap.
In die schemerslaap, haar lichaam tegen het zijne, voelt ze zijn hart kloppen tegen haar rug en het bloed door zijn aders stromen. Zijn adem in haar nek. Omringd door hem. Nachtelijke zevende hemel. Tegen haar stuit voelt ze zachtjes een stuwende druk die haar wakker maakt. Prettig wakker. Droomwakker. Ze kijkt hoe laat het is, om te weten en te hopen dat dit nog lang mag blijven duren. Nog twee uren voor de wekker afgaat.
Na een eeuwigheid van verlangen, laat hij haar eindelijk toe dicht bij zich te kruipen. Ze voelt hoe ze naar hem verlangt.

Het oxyticinegehalte stijgt bij het voorspel en piekt tijdens een orgasme. Het wordt ook het bindingshormoon genoemd. Het wordt geassocieerd met warme gevoelens en het verlangen dicht bij iemand anders te zijn.

Het doet eigenlijk pijn maar het is niet onprettig.

Dan een bruuske beweging. Hij richt zich op, kijkt opvallend naar de oplichtende rode cijfers van de wekkerradio. Zes uur. Hij zucht pathetisch, het is een talent van hem, dat pathetisch zuchten, en draait zich bruusk om. Met zijn elleboog duwt hij haar van de matras, hard en hoekig. “Laat me slapen, ik heb morgenvroeg een vergadering!”
Hij heeft alle dagen belangrijke vergaderingen.
“Hoe kan er geld gegenereerd worden in bedrijven waar iedereen steeds maar vergadert,” vraagt ze zich af.

Vergeefs probeert Dido haar geliefde Aeneas bij zich te houden.

Het doet pijn, dit onvervuld verlangen en het is onprettig.

Het voert haar terug naar die eenzame hoogte die ze heeft beleefd op zijn matras, bijna een jaar geleden, toen hij net voor een climax naar de badkamer liep om een condoom te halen. Zij lag af te koelen op zijn matras. Ze zag hem in profiel tegen het nachtblauwe raamvierkant sjorren aan de kleine vierkante verpakking. Hij kreeg het niet open. Zijn bewegingen werden agressief. Hij smeet het ding verpakt tegen de muur, liet een venijnige vloek horen en keerde haar de rug toe om te slapen.

Ze neuriet zachtjes zichzelf in slaap, een stukje van Cour d’Amours uit Carmina Burana:
Tua pulchra facies,
me fay planszer milies,
pectus habet glacies,
statim vivus fierem
per un baser.
Je mooie gezicht
doet me duizendmaal huilen,
je hart is van ijs,
als door een remedie
zou ik kunnen herleven
door een kus.

Het is een moeilijk stukje om te neuriën, vooral wanneer je het onhoorbaar wilt doen. Ze wentelt zich in zelfbeklag. Valt met een nat gezicht in slaap.

Begin oktober, de laatste warme dag volgens het weerbericht. Door het raam lijkt de lucht mistig is en de hemel niet helder maar het is wel warm.

Mooie dagen trekken haar naar buiten. Ze kan niet binnen zitten. Later wilt ze een grote tuin met een oneindig vergezicht.

Omdat het vrijdag is, is het strand quasi leeg. Er lopen enkele koppeltjes en een paar eenzame wandelaars uit te waaien.

Ze draagt een soepel, donkerpaars jurkje, dat ze steeds met haar hand onder haar billen moet drukken tegen het opwaaien. Ze heeft alleen een boek bij.

Ondanks de occasionele windstoot, is het niet koud en opeens breekt de zon door. Het is warm. Ze leest in het zand, op haar zij liggend en met één hand afwisselend haar jurkje en de bladzijden van haar boek bedwingend. Af en toe sluit ze haar ogen en geniet van de zon op haar huid. Ze denkt aan Nicolas. Hoe koel hij haar behandelt. Vanaf het moment dat ze bij hem ingetrokken is in het kleine tweekamerflatje, gemeubeld met wat tweedehands spullen en de twee matrassen. Voor een onbespreekbare reden zit er de kloof tussen de twee matrassen. Originele, bohémienachtige manier van leven. Inspirerend en romantisch op een ouderwetse manier. Ze heeft een hoekje van de kamer ingenomen om haar Butoh-oefeningen te doen. Vele avonden voor ze er is ingetrokken, heeft hij gefascineerd zitten kijken naar de beweging van de rijstvelden. Hij heeft vaak schamper gelachen en ironische opmerkingen gemaakt. Ze heeft het telkens lacherig opgenomen en het eindigde er meestal wel mee dat ze samen een wiegend rijstveld werden.

Maar nu ze de flat delen, trekt hij de deur dicht wanneer ze de Japanse muziek oplegt en transformeert in korenaren, wolken, vogels en haar lichaam verknoopt in oerbewegingen. Hun ellenlange discussies over wat kunst is in het algemeen en of Butoh in het bijzonder wel kunst is, of wonen in een stad fijner is dan wonen in de polders waar zij vandaan komt, zijn weggevallen, net zoals alles eigenlijk waarom ze bij hem ingetrokken is.

Hun hartstochtelijke verhouding, die door Dido als een huwelijk wordt beschouwd, is ruw verstoord, wanneer Aeneas de roep van Jupiter en de belangen van zijn volk boven zijn eigen verlangens stelt.

Ze begrijpt het wel. Hij heeft eventjes een moeilijke periode. Werk en stress en temps perdu in de file. Ze kan het meezingen. Hij heeft eventjes een moeilijke periode. Een jaar bijna. Tweehonderd en één nachten.

De grootste stoorzender in een duurzame en gelukkige relatie zijn niet de veranderde losse normen, maar wel de moderne werkstructuren.

Een jongetje van een jaar of tien met een voetbaltruitje met een rugnummer erop en daarboven zijn naam: Kevin. Hij gooit een stok weg en zijn Jack Russell stuift er achteraan. De hond brengt de stok wel terug, maar lossen doet hij niet. Als een pitbull blijft hij er aan hangen.
Het jongetje trekt aan de stok en loopt verder, maar lossen doet de hond niet. Geritsel van opwaaiende zandkorrels over haar bladzijden, de zee en de meeuwen.

Aanzwellend lawaai van stemmen. Sarah kijkt geërgerd op. Vier jonge kerels komen wijdbeens, in zwart namaakleer en nep-versleten jeans, zonnebankbruin en met gelikte kapsels op haar af. Ze doen tot op het laatste moment alsof ze haar niet zien en komen dan vlak naast haar in het zand liggen. Op hun zij, in het zand, rug naar de zee. Aangapen. Opmerkingen maken. Elkaar pestend omverduwen. Ze spreken over haar alsof ze er niet bij is.

Ze begint te neuriën. Als kind heeft ze dat opgenomen. Neuriën als ze niets wil horen. Wanneer het niet meer mooi is. Thuis, op school en later, iedere keer wanneer Nicolas onredelijkheden of valse beschuldigingen naar haar slingert.

Carmina Burana, Dies, nox et omnia:
O sodales, ludite, vos qui scitis dicite.

Oh vrienden, jullie lachen om mij
Jullie beseffen niet wat jullie zeggen.

Zo is Nicolas ook, denkt ze bij de blikken in hun ogen. Hij kijkt net zo wanneer er een stereotype ‘schone madam’ voorbij flaneert.

Nicolas mag zich dan al met open mond vergapen aan een stel borsten dat voorbijkomt of
een waterperoxide kapsel, hij beweert dat complimenten conventionele debiliteiten zijn en weigert pertinent om er te maken.

Of is het dan toch omdat er echt niets is om complimenteus over te doen bij haar? Dikwijls staat ze voor de spiegel met een kritische blik.

Maar elke dame die met een goedkeurende glimlach door Nicolas wordt nagekeken, wandelt hun leven uit en neemt achteloos een stukje van Sarah’s zelfvertrouwen mee, als een nat, klef herfstblad dat tijdens het stappen aan een naaldhak blijft hangen zonder dat de draagster zich ervan bewust is.

De kerels lallen en Sarah kan zich niet meer concentreren. Hun gejoel wordt luider en hun commentaar intiemer. Ze blijft onverstoorbaar doen alsof ze leest, terwijl ze in gedachten Cleopatra’s dagelijkse gifexperimenten op hen beproeft. Een joggend meisje met wat papperige billetjes, maar heel poppig en met een lange blonde vlecht, trekt ongewild hun geile aandacht. Ze springen recht en imiteren de joggende looppas. Het meisje kirt. “Toe,” denkt Sarah, “doe maar, geef wat ze willen, zo leren ze het zeker af.”

Ze leest. Zinkt weg in een emulsie van zeegeluiden en het verhaal. Ze voelt iets aan haar blote voeten. Zachtjes. Nat. Harig. Ze kijkt verschrikt op. Aan haar voeten een grote, statige Ierse setter. Ondanks de degenererende bezigheid behoudt de hond zijn stamboomstatigheid.

Aan het einde van de lijn een dame.

Ze kijkt naar Sarah met onmiskenbaar spot en interesse in haar ogen. Het maakt Sarah onzeker. Ze gaat rechtop zitten. Trekt haar jurk over haar knieën en laat de hond aan haar hand ruiken. Omdat de dame geen spoor van plaatsvervangende verontschuldiging laat blijken in naam van haar hond, is Sarah wat verweesd.
“Mooie hond,” zegt ze, als compliment voor de dame, gefascineerd door het koele maar stijlvolle uiterlijk. Ze is gekleed in een lange krijtstreepbroek, halflang zwart jasje, rode zijden sjaal en rijglaarzen met een rij zilveren haakjes. Haar tas is een trommelvorming koffertje, dichtgeregen met zwarte veters en diezelfde zilveren haakjes.

Haar gezicht is adellijk. Te fijn, te scherp, maar regelmatig en hoewel het duidelijk is dat ze ouder is dan Sarah, van een moeilijk te schatten leeftijd. Ze staat symbool voor de stad Oostende, net zoals Sarah dat doet voor de polders achter die stad waar zij is opgegroeid.

De dame knikt bevallig met iets als een beginnende glimlach aan één kant van haar mond, maant haar hond aan en wandelt verder.

Sarah raapt haar spullen bij elkaar. Ze voelt zich bloot. Een stuk roze hesp op een zilveren schoteltje.

Ze stapt met grote passen over het harde zand. De wind steekt op en waait door haar lichtbruine haren, legt er knopen in en ziltige lussen.

Een man en een vrouw komen in tegengestelde richting op haar af. Hij houdt haar hand vast.

Ze kijken naar haar, eventjes maar. De vrouw glimlacht, het ziet er een tevreden vrouw uit.

Wees gegroet, Niobe… De man kijkt naar Sarah, maar ziet haar niet echt. Hij slaat zijn arm om de vrouw en geeft haar een kusje op haar slaap. Met zijn andere hand streelt hij haar zwangere buik. Gezegend is de vrucht van uw lichaam. Het is een mooie vrouw. Hoe kan het ook anders, ze is geliefd door een man. Geen jongen die moet bewijzen dat hij van vrouwen houdt door ze allemaal kwijlerig aan te gapen. Sarah stapt nog sneller door nu. Laat Niobe en haar Amphion achter zich.

Ze stapt, schoenen in haar hand, door het water. De zee is verrassend warm. Ze moet haar jurk wat optillen voor haar eigen gespetter. Maar de zee voelt prettig aan en de wind in haar gezicht ook. Ze voelt de zon branden op haar borstbeen, dwars door haar huid en bloedvaten. Wanneer ze haar ogen sluit, ziet ze hoe zonnig het bloed onder haar huid is. Slib in het water, lekkere warme, kleiige grond die tussen haar tenen doorglijdt en haar voet omklemt.

De zee spoelt af en aan en laat telkens op haar gladde benen een glinsterende laag achter die dan langzaam wegtrekt. De zee is uitzonderlijk rustig. De horizon, onduidelijk, een dikke grijze streep, alsof iemand met een vuile vinger de hemel heeft willen onderstrepen.

Achter haar de dijk, even verlaten als het strand. Lege veranda’s en kraampjes. Dit vindt ze het mooist, wanneer het weer nog goed is maar de drukte voorbij.

Wanneer het strand niet meer geëgaliseerd wordt en er zich heuvels en dalen vormen door de wind.

In een kuil ligt een koppeltje te vrijen. Het laat weinig aan de verbeelding over.

Sarah denkt aan Nicolas en zijn ontoegankelijke mond. Een dunne streep. Niet op straat. Niet hier. Niet nu.

Het laatste stuk van het strand ligt bloot en leeg. Bij elke stap voelt Sarah zichzelf lichter worden. Een zweempje, een zandkorreltje, een lichtpartikeltje.

Ze wandelt naar de vistrap. De wind begint nu echt op te steken en giert in haar oren. Het is prettig zo te staan vlakbij de zee in de wind, twee gigantische natuurelementen die levens nemen en het landschap kunnen veranderen, en beseffen dat je eigenlijk niets betekent in het geheel.

Het is allemaal zo weinig waard.
Alle emoties, alle onmacht.
Onvervuld verlangen.
Al dat gepieker.
Ik ga weg van hem.

Sarah keert terug naar de dijk. Er is een oud koffiehuis. Ze stapt binnen. Plaatsje aan het raam. Het strand is nu helemaal verlaten en er waaien sluiers zand op. Ze bestelt een koffie, een “kaffie” beaamt de ober. Ze haalt haar boek weer boven. Verzonken in haar koffie en het verhaal schrikt ze op van een damesstem.

“Vous permettez?”

Voor haar staat de dame met de Ierse setter.
De dame kijkt haar vragend aan, zonder echter het zweempje hooghartigheid te verliezen.
Er zit niemand in het theehuis, alle tafels zijn leeg. Waarom mijn tafel dan? denkt Sarah, maar ze zegt:
“Alstublieft, gaat u zitten.”
De dame bestelt ook koffie. Ze drinkt er iets goudkleurigs bij uit een zilveren borstflesje.
“Ben je gelukkig?” Sarah kijkt haar verrast aan.

“Ja. denk ik.”

“C’est l’amour, toujours l’amour” De dame slaat haar ogen op terwijl ze met haar lange, sierlijke vingers een opengaande lotusbloem nabootst.

“Vertel iets over jezelf, ma fille. Zodat ik weet met wie ik deze tafel deel.”

Sarah roert met haar lepeltje in de thee en zegt dan: “Wanneer mensen iets moeten zeggen over zichzelf, zeggen ze altijd waarvan ze houden en waarvan helemaal niet.”
De dame lacht, niet uitbundig, eigenlijk bijna niet merkbaar. Maar ze lacht. Haar ogen lachen en haar mondhoeken krullen zachtjes. Sarah weet niet of de dame om haar of met haar lacht.
“Liefde en haat zijn alles in het leven. Daarmee heb je alles gezegd. Ik houd van La Liqueur des Anges.” De dame kijkt naar Sarah’s reactie. Ze speelt met het zilveren flesje.
“Pierre de Segonzac Sélection des Anges. En ik hou van Byron – ze klopt liefdevol op de kop van de Ierse Setter – en van echte koffie, Sappho, chocolade en Brahms. Ik heb een hekel aan mensen die zichzelf niet kunnen beheersen.”

Sarah likt aan het lepeltje, nu is het haar beurt.
“Ik… heb een hekel aan hesp op een zilveren schoteltje, maar ik hou van Japanse danskunst, de zee, nazomerdagen, de wind en koormuziek, vooral Carmina Burana.”
“Is er een geliefde?”
Sarah kijkt op.
“Nee,” na een te lange stilte.
De dame kijkt haar doordringend aan. Ze staat op. Stapt sierlijk terwijl ze praat.
“Carmina Burana, zei je?”
Ze staat vlak achter Sarah nu.

Siqua sine socio,
caret omni gaudio
Het meisje zonder geliefde
blijft van alle plezier verstoken.

Ze fluistert het in Sarah’s oor. En dan verplaatst de adem van de dame zich naar haar andere oor.

“Wat denk je van Sappho?”

Ik zei, ga en wees gelukkig
maar vergeet niet (je weet het wel)
wie je achterlaat,
verteerd door liefde.

En ze streelt met de buitenkant van haar zijdeachtige vingers over Sarah’s hals.
Het is niet onprettig.

EINDE

De windstoot / Léon Spilliaert