10 maart 1981. Ergens tussen Dover en Oostende.

Ik verloor mijn horloge op de maalboot. Daar begon het mee. Fuck, ja. Nu ik eraan denk, dat was het begin van de shit. Ik speelde mijn horloge kwijt. Hoe stom kan iets zijn.

Ik stond buiten, aan dek. Het was begin maart, er woei een snoeiharde zuidwester die het kolossale schip onprettig deed schommelen en het was kontscheurend koud. Maar toch stond ik daar als de bescheten intellectueel waarvoor ik mezelf aanzag, zo ver mogelijk in de boeg van de maalboot. Ik had ergens in mijn kop gestoken hoe de glorieuze intrede in mijn thuishaven moest verlopen: een zonsopgang boven de stad, meeuwen cirkelend in formatie rond het achtersteven van het schip, en een misthoorn die het Hallelujah van Händel zou vertolken op klaaglijke wijze.
Daarom stond ik daar, met bevroren handen en voeten, en tranende ogen van de wind. O ja, en ook omdat ik binnen was weggevlucht.

Ik had een kop thee besteld aan de bar. De barman had me een grijns en een vette knipoog geschonken toen hij mijn dertig pence in ontvangst nam. ‘Enjoy that, love’, had hij gezegd. Je grootje, dacht ik. Zijn gezicht had de kleur van een bavianenkont en hij rook naar Old Spice en Guinness. Ik had hem mijn gepatenteerde fuck off-blik toegespeeld – daar was ik echt goed in. Ik kon een opgegeilde walrus doen wegslinken met één oogopslag. Toen was ik op zoek gegaan naar een kalm hoekje waar ik op mijn gemak mijn thee kon opdrinken. Je kon veel zeggen van de Engelsen, maar hun thee mocht er zijn. Ik weet nog dat ik als een mongool zat te koekeloeren naar de luie spiralen stoom die omhoog kringelden uit de tas, en probeerde iets lyrisch te bedenken erbij.

Er kwam niks – pijnlijk. Er kwam al een hele tijd niks. Er zat een gat vol kak waar mijn kop hoorde te zitten. De laatste tijd mocht ik al blij zijn als ik mijn eigen naam kon opschrijven.
Ik had mijn notitieboekje opgediept uit mijn zak, en mijn bic. Dit was tenslotte een werkreis. Veel had ik niet genoteerd: een paar namen, een stuk of wat adressen. De helft kon ik nog met moeite lezen. La Bécasse, Langestraat, ontcijferde ik. En ook: Sloopy? Zo, met een vraagteken erbij. Geen idee wat die namen betekenden. Het was eigenlijk belachelijk hoe weinig voorbereid ik was. Mijn bic hing als een torpedo boven het papier, klaar om te schieten moest de nood zich onverhoopt voordoen.

Op dat moment kwam dat koppel mijn richting uit. Beige jassen, beige kapsels, beige blik in hun ogen. Als koeien die staan te kijken op hun eigen stront. De man droeg een dienblad met twee keer een full English; de vrouw droeg haar sacoche en een kilo of vijftig teveel op diverse strategische punten. Ik ging bijna over mijn nek van de geur, en de aanblik, van verzopen spiegeleieren en worsten, en in vet versmoorde sneetjes brood. Een feestje op een bord, als je graag met je kop in een WC-pot vertoefde.

‘Mind if we join you?’, zei de vrouw hartelijk.
Ja madam, het stoort me, dacht ik. Heel erg eigenlijk.
Voor iemand met mijn beroep was ik verschrikkelijk asociaal.
‘I was just leaving’, mompelde ik, en stond haastig op. Dan maar geen thee.

En zo kwam ik daar dus, in de boeg van de maalboot. Ik keek op mijn horloge: twee voor zes Engelse tijd. De stad waar ik geboren was deinde me slaperig tegemoet, in haar nachtjapon en met de krulspelden nog in haar haar.
‘Nu gaat het gebeuren’, dacht ik. ‘Nu zal ik de zon zien opgaan boven de stad, en The Carpenters gaan beginnen zingen in mijn oren en ik zal alles weten.’

Fuck, wat was het retekoud. En nog vroeg, voor mij althans. Ik probeerde contouren te ontwaren in de grijze massa aan de kustlijn: de gaanderijen zag ik, en de koninklijke villa protserig op haar heuvel. De thermen; het casino dat me met zijn hoge ramen leek toe te grijnzen. Of mij uitlachte, dat kon ook. En midden in ’t stad, dat monsterlijke gedrocht, het Europacentrum. Recht omhoog als een bekakte vinger, vijfendertig verdiepingen beton. Mensen als kippen in hokjes.

De zon kwam warempel op en ik kreeg een beetje een week gevoel in mijn maag. Alsof ik te veel lauwe mosselen gegeten had. Ik moest bijna lachen omdat het zo cliché was, en toch bleef ik staan. Ik wilde hier staan als we langs het staketsel zouden varen, de havengeul in. De thuiskomst. Wat een verhaal.

Een meeuw scheerde over mijn hoofd als een bommenwerper, en ik dook instinctief.
‘Waag het verdomme niet, hoor’, schold ik, in het Engels. Ik voelde me meer op mijn gemak in het Engels. Het was te lang geleden dat ik nog Nederlands had gehoord of gesproken. Het beest schoot in een kakelende lach, terwijl hij op z’n gemak quasi stil boven mij bleef zweven. Om zijn gat recht boven mijn kruin te installeren. Fucking pestvogel. Ik zwaaide met mijn arm, om hem weg te jagen, en toen gebeurde het.

Mijn linkerhand schoof uit op de roestige reling, en mijn horloge bleef haken en brak door. Ik voelde het van mijn pols glijden, maar voor ik iets kon doen, zag ik het hulpeloos dwarrelen langs de flank van het schip. Een luide vloek ontsnapte me, en ik stak machteloos mijn hand uit, als om het ding op te vangen ofzo. Natuurlijk werd het meteen opgeslokt door de gulzige golven; dat zag ik zelfs niet meer. Maar ik was er kapot van – totaal onverwachts. Mijn ogen schoten vol; mijn hart stond te stampen. Mijn horloge, ik was het kwijt.

Niet dat het zo’n waardevol horloge was, maar ik had het gekregen voor mijn Lentefeest van mijn ouders. Een simpele parelmoeren wijzerplaat met gouden wijzers en een gouden boordje, aan een dun rood leren bandje. Heel fijn en vrouwelijk. Waarschijnlijk in de hoop dat het nog goed zou komen met mij en mijn vrouwelijkheid. En nu was het weg. De zee had het afgepakt. Het gevoel van godverdomde klote-kutzooi, en ook wel een beetje verlatenheid, was overweldigend en buiten proportie in vergelijking met hetgeen ik juist was kwijtgespeeld. Ik begon te janken, mijn armen uitgestrekt over de relingen van het schip, alsof één of andere barmhartige meeuw het horloge misschien zou opdiepen uit de muil van de Noordzee en in mijn handpalm zou droppen.

Was het de emotie, of had ik mijn zeebenen overschat? Misschien een combinatie van de twee, die ervoor zorgde dat mijn maag plots gewelddadig in opstand kwam. Ik kotste gul mijn maaginhoud overboord. Op zo’n momenten kwamen zich altijd ongewenste beelden aanbieden. Dit keer was het een bord spiegeleieren. Lap, daar ging ik nog een keer. Een fijn laagje koud zweet vormde zich op mijn gezicht, en mijn gezichtsveld vernauwde tot ik door een tunnel leek te kijken.

‘Ewel, moksje, gaat het niet?’, vroeg een stem aan de andere kant van de tunnel. Ik probeerde achter me te kijken, maar dat bracht de horizon aan het kantelen. De wereld keerde zich en een zwart gordijn viel naar beneden. Even later kwam ik bij zinnen in de cafetaria. Er zat drie man om me heen, waaronder de baviaan van achter de bar. Fuck zeg! Doodgegeneerd verzekerde ik hen dat ik OK was, echt wel, serieus. Ze konden niet anders dan me laten gaan, maar ik voelde hun blikken op me. Ik kon niet wachten om van dat verrekte schip te gaan.

Toen we eindelijk waren aangemeerd, schuifelde ik onstabiel over een loopplank naar de kade. Mijn pols voelde naakt zonder het horloge. Onder me loenste de verraderlijke watermassa in het dok; boven patrouilleerden meeuwen, arrogant en ongenaakbaar.

‘Welcome to Ostend’, zei een vriendelijk crewlid, dat wankele personages zoals ik van de loopplank hielp.
Ik voelde me als tweedehands aardappelpuree. Gestampt en uitgespogen. Glorieus kon je het niet noemen.
Maar ik was thuis.

EINDE

Fotocover © postkaart via deplate.be