‘s Ochtends staat er een ei midden op tafel.

Norma is perplex. Ze heeft nog nooit in haar leven een ei rechtop doen staan. Als ze tegen de tafel leunt, valt het om.

Een spiegelei zou wel smaken. Ze smelt boter in een pannetje. Als ze het ei wil stukslaan op de rand, barst enkel de schulp. Dit ei is al gekookt.

Norma is verbluft. Ze kan vannacht toch geen ei gekookt hebben zonder zich dat nu te herinneren?

Ze neemt het ei mee naar het balkonnetje, ziet dat zuster Coleta al op het strand is. Haar badjas en gummilaarzen liggen in het zand en zuster Coleta staat in donkergrijs badpak op harige aderige benen in de branding. Gekruiste harige armen leunen op de brede borsten die op haar buik hangen, die buik als een perfect gerezen koekebrood, klaar voor de oven.

Norma pelt haar ei. Wat staat zuster Coleta daar nu te doen? Wacht ze ergens op? Staat ze zich voornemens te maken? Staat ze te bidden?

Het zwemmen van zuster Coleta ziet er altijd zo natuurlijk en sereen uit, Norma loopt elke keer vol afgunst en verlangen: zo wil zij ook in zee zwemmen. Je eerst een weg banen door de tegenkracht van de branding en dan verder in zee spelen en duikelen als de dolfijnen. Maar elke keer ze met onbeschermd blote voeten in de vloedlijn gaat staan en zich voelt wegzinken in het zand, wordt ze bang. Het is het grote niets. Ze is bang voor al wat ze niet kan zien. Ze weet goed genoeg dat ze zichzelf drijvende kan houden en dat er niets onder het oppervlak loert dat haar zal grijpen en onder water sleuren, en toch is ze bang. De zee is net als de nacht een wade van onzichtbaarheid waarin alles en iedereen verdwijnen.

Dan richt ze haar blik beschaamd op haar voeten in het bodempje zee. Ze wordt al duizelig van het dunne vlies dat teruggesleept wordt terwijl een nieuwe dikke golf eroverheen binnenstroomt, ze mag niet te lang kijken naar die over elkaar heen vallende lijnen van gaan en komen of het wordt haar draaierig voor de ogen.

Een golf, ruw van het zand erin dat tegen haar benen gesmeten wordt, brengt haar dan weer tot zichzelf. Elke keer druipt ze af zonder zwemmen.

Zuster Coleta stapt nu recht de zee in. Tot haar dijen, tot haar buik. Dan gaat ze voorover liggen en begint traag te zwemmen.

Norma bijt in haar ei, het koele stevige wit een perfect hapje. Dan de eerste hap dooier, droger in haar mond maar zo rijk van smaak dat ze ervan zucht. Het lijkt wel het allereerste gekookte ei van haar leven. Dit ei is precies wat ze nodig had.

In zee drijft zuster Coleta op haar rug, de buik dobberend als een grijze strandbal.

Ze komt uit zee – weer eens niet verder dan kniediep durven gaan – en volgt, zorgvuldig voet voor voet zettend, hiel tegen tenen, de grootste vogelsporen in het natte zand. Het gaat alle richtingen uit, ze krijgt er plezier in. De sporenmakers stuiven op rondom haar. Ze probeert het sneller te doen, met kleine trippelpasjes, de ellebogen tegen de zijden gedrukt, de kont achteruit – ze giechelt, ze voelt zich meer een kip dan een steltloper. Hoe sneller ze gaat, hoe onnozeler het lijkt welke toeren die strandvogels feitelijk uithalen, ze wordt overvallen door een regelrechte slappelach – dat is al geleden van de jaren met de kleine. Ze moet stoppen, een hand in haar kruis klemmen om niet te plassen, zo onbedaarlijk is het. Ze stroopt gewoon haar badpak af en hurkt waar ze staat, er is hier toch niemand die haar kan zien. Het komt er in pulserende stralen uit, op het ritme van haar lachstuipen. Ze kijkt naar de belletjes en blaasjes in het zand waar een drieteenafdruk zich vult met warme plas.

Ze wil zelf ook wel eens zo’n drieteenspoor maken. Ze struint het strand af tot ze zes juiste stokjes drijfhout gevonden heeft. Die bindt ze onder haar tenen met slierten zeewier. Haar sporen zijn nu die van een vreemdsoortig reuzenhoen met knoestige tenen en een lange, ronde hiel. Ze laat ze in zee verdwijnen en er elders weer uit komen.

En nu moet het er uitzien alsof de reuzenvogel opgevlogen is. Ze gaat op haar knieën en knokkels zitten en kruipt, met haar voeten omhoog, weg van haar vogelspoor. Een onbekende vierpotige is in de plaats van haar oervogel gekomen.

Wanneer ze het beu is, haalt ze de stokjes van haar voeten en legt ze in een gesloten rondje. Het zeewier schikt ze rond de bovenkant als zeemeerminharen. Ze zoekt twee gave, roze schelpen voor oortjes en tekent met haar vinger een glimlach in het zand. Uit het hoopje zeeglas dat ze naast de trap verstopt had, kiest ze de twee blauwste en gladste en rondste voor de blinde ogen van haar zandkind.

De rest van het lijfje bouwt ze van nat zand, ze drukt de kleinste roze schelpjes in de vingertjes en teentjes als nageltjes, een klein rond keitje midden de buik als navel, een wit zeeboontje als neusje.

‘Mijn molleke’, zegt ze binnensmonds tegen het zeeboontje.

Een scholekster scheert de golven af. De meeuwen keren kijvend terug van het land. De zon zoekt de zee, de zee zoekt Norma.

Als ik straks de zon zie zakken in de zee, zingt Norma voor haar kleuter van zand, dan keer ik naar het appartement terug en begin aan mijn zevende jaar zonder jou.

De zon ligt al in zee, de beentjes zijn al tot aan de knietjes in het opkomend tij verdwenen, als zuster Coleta in badmantel en rubberlaarzen het strand op wandelt voor haar avonddip. In het voorbijgaan glimlacht ze naar het zandkind en roept naar Norma:

Ga je mee zwemmen?

EINDE

Baders / Léon Spilliaert