Het was een zonnige lentedag, toen Harry, het garnalenvisserspaard, pootjebadend langs de vloedlijn liep in de koningin der badsteden. Het was zijn vrije dag en hij had zich al het grootste gedeelte van de ochtend onledig gehouden met het wegzwiepen van brom- en andere vliegen. Hiervoor gebruikte hij zijn lange blonde paardenstaart, die, nu Harry niet van dienst was, vrij kon rondzwaaien. Als hij het lange garnalennet achter zich voorttrok, op werkdagen dus, was zijn staart opgerold tot een dot en deed zijn baas er een rode strik in. Harry haatte dat. Hij vond het zo nichterig. Camelia, een witte merrie die nog nooit een voet in zee had gezet en haar neus ophaalde voor de garnalen die Harry ving, droeg altijd een rode strik in haar staart. En Camelia was Harry’s nicht, vandaar. En het rood stak zo fel af tegen de geelbruine kleur van Harry’s vacht. Hij hield niet van dat soort circus.

Terwijl hij in de branding liep te contempleren, kruiste Ronnie, een pikzwarte pony, zijn pad. Harry was zodanig in gedachten verzonken, dat hij het kleine beest bijna plattrapte.
‘Hé, kijk uit waar je die lompe boerenpaardenpoten zet!’, schreeuwde Ronnie. Hij rilde toen hij naar het grote behaarde been keek dat hem op een haar na had gemist.

Harry ontwaakte uit zijn overpeinzing. ‘Oh, Ronnie’, zuchtte hij. ‘Sorry. Ik zat ergens anders.’
‘In Engeland’, bromde Ronnie. ‘Wat scheelt er? Zorgen?’
Harry snoof en schudde zijn hoofd. ‘Nee, niet in Engeland. Ik zit in de problemen, jongen.’
Ronnie trok zijn rechterneusgat op. ‘Problemen? Hoe kan dat? Wat heb je gedaan? En sta nu toch eens stil! Ik kan niet volgen. Jij met je grote…’ Ronnie verdween onder water en kwam even later proestend weer boven. ‘Die verdomde kinderen’, sakkerde hij, ‘wanneer gaan ze eens leren om hun putten te dempen?’

‘Je moet beter uit je doppen kijken’, antwoordde Harry ernstig. ‘Als ik mijn haar zo in mijn ogen zou laten hangen, dan zou ik ook niets zien. Je froufrou is te lang.’
‘Harry, dat is geen froufrou’, repliceerde Ronnie, ‘dat is een pony.’
‘Zoals je wilt’, knorde Harry en stapte verder.
‘Wel? Wat is jouw probleem dan wel?’
Harry zuchtte: ‘Ik denk dat ik binnenkort te doen krijg met Rudolf!’
‘Die zwarte van de veldwachter?’ Ronnie slikte.

Harry knikte: ‘Ja, die.’
Ronnie floot. ‘Met Rudolf krijg je het beter niet aan de stok. Zo’n hengsten maken ze vandaag niet meer.’ Hij keek Harry voorzichtig aan. ‘Wat kan jij mogelijk gedaan hebben om Rudolf te ontstemmen, Harry?’
‘Ik heb Mary het hof gemaakt.’ Harry boog de kop.
‘Wat?’, Ronnie rilde. ‘Ben jij bij Mary geweest? Mary, de merrie van Rudolf?’
‘Niet echt, neen. Ik heb haar een brief geschreven.’
‘En wat stond daar dan in?’
‘Dat durf ik niet zeggen. Het klinkt veel te onnozel.’
‘Mm, hopelijk vindt Rudolf dat ook. Anders ben je nog niet jarig.’
‘Gelukkig niet’, prevelde Harry. ‘Pas op zes oktober.’ Hij brieste.
‘Als je mij niet vertelt wat je geschreven hebt, dan zul je nooit weten of de inhoud gevaarlijk was of niet’, probeerde Ronnie voorzichtig.
Harry bekeek hem van top tot hoef en hinnikte. ‘Vooruit dan maar’, besloot hij, ‘maar waag het niet om me uit te lachen.’

Ronnie stak zijn rechter voorbeen in de lucht. ‘Ik zweer het’, zei hij, nauwelijks een lachje onderdrukkend. ‘Vertel!’

‘Ik herinner me de brief woord voor woord’, zei Harry plechtig. ‘Ik heb hem zeker honderd keer in mijn hoofd opgezegd voor ik hem durfde neer te schrijven en op te sturen.’ Hij stopte en zette zich op het natte zand aan de vloedlijn, maar verzette zich onmiddellijk omdat hij op een kleine grijze krab was gaan zitten, die het gewicht van de knol niet apprecieerde en haar scherpe scharen in diens linker achterbil zette.
Ronnie ging naast hem zitten en wachtte.

Harry schraapte zijn keel en declameerde: ‘Mijn allerliefste Mary. Ik weet dat ik je deze brief niet zou mogen schrijven, want als die in verkeerde hoeven valt, dan kan ik het wel vergeten. Maar, mijn liefde voor jou is sterker dan mijn ergste angst. Ja, lieve Mary, je leest het goed! Mijn liefde. Hoewel ik weet dat ik met jou geen toekomst heb, zal ik je tot mijn laatste snik blijven beminnen. Telkens ik jou zie gaat mijn grote garnalenvisserspaardenhart sneller slaan. Ik kan er niets aan doen. Ik voel dan hoe iedere vezel van mijn vel siddert en elk haartje overeind gaat staan. Hoewel je het niet meteen zou vermoeden, is dat een ongelooflijk fijne ervaring. Mijn buik vult zich dan met vlinders en ik zou dan niets liever willen dan mijn grote kop op jouw schoft te vlijen. Ik wil dat je weet dat ik mij nog niet eerder zo gevoeld heb. Mijn dagen worden beheerst door de gedachte aan jou. Ik mis je voortdurend, en hoewel dat eigenlijk pijnlijk zou moeten zijn, kan de gedachte dat ik ooit nog eens met jou samen in één wei zal staan, de pijn balsemen. Weet dat ik nooit tweespalt tussen jou en je gemaal wil zaaien, maar ik wil dat je beseft dat ik intens van je hou en je voor altijd in mijn hart draag. Ik weet dat het niet eenvoudig is om je te kunnen zien, maar de schaarse momenten dat ik je ontwaar en de geur van je zweet ruik dat langs je manen omlaag parelt, helpen mij steeds enkele dagen verder. Ik probeer jouw zoete odeur zo lang mogelijk in mijn neusgaten te sluiten. Ik besef dat je niet in staat bent om mijn liefde te beantwoorden, maar de volgende keer dat je me parmantig voorbijloopt, wil je me dan een blik van je mooie bruine kijkers gunnen? Daar kan ik dan weer even op teren. Weet, liefste Mary, dat ik ieder moment dat je, bewust of niet, in mijn nabijheid vertoeft, koester als de teerste bloem. Jij hebt je in mijn hart ingegraven als een Eerste-Wereldoorlogsheld in zijn loopgraaf.’ Er volgde een stilte. Harry keek voorzichtig naar Ronnie, die stilletjes zat na te genieten.

‘Ik heb de indruk dat jij van dat meisje houdt, Harry’, fluisterde hij.
Harry knikte: ‘Ik weet het. Ik heb mijn hart opengelegd.’
‘En nu ben je bang dat Rudolf die brief zal lezen?’
Harry knikte.

Ronnie grinnikte. ‘Daar zou ik maar niet bang voor zijn, Harry. Er bestaat niet veel kans dat Rudolf een brief onder ogen zal krijgen die jij hebt geschreven.’
‘Nee?’, vroeg Harry hoopvol.
‘Nee, natuurlijk niet. Je weet toch, Harry, dat paarden niet kunnen schrijven. We hebben zelfs geen vingers om een pen vast te houden.’
‘Ja, da’s waar’, beaamde Harry. ‘Ik kan niet schrijven. Da’s waar.’
‘Zie je wel!’, lachte Ronnie. ‘Er is geen enkele reden tot paniek. En ik zal zelfs nog meer zeggen!’ Hij triomfeerde. ‘Rudolf is ook een paard. En paarden kunnen niet alleen niet schrijven… Ze kunnen ook niet lezen. Je bent dus volkomen veilig.’
‘Ja, nu je ’t zegt’, lachte Harry. Hij herademde. ‘Ik hoef inderdaad nergens bang voor te zijn.’

Hij stond op en begon verder langs het water te lopen. Opeens hield hij opnieuw halt. ‘Maar, hoe ga ik Mary dan vertellen dat ik haar graag zie?’, vroeg hij.
‘Da’s toch simpel’, zei Ronnie, ‘geef haar gewoon een belletje.’
‘Dat is een goed idee.’

Harry knipoogde en samen liepen de beide vrienden de horizon tegemoet.

EINDE

Fotocover © M. Soille