Horden toeristen overspoelen elke zomer weer mijn thuisstad B., met hun zweterige lijven, universele gekwetter en zwaaiende statieven of selfiesticks, terwijl de stadskoetsen drukdoend over de kasseien dokkeren en hun trekdieren een spoor van mest en kwijl achterlaten. Ik moet weg uit deze kakofonie van foute indrukken. Gek word ik ervan. Ik zoek vluchtwegen. Ik vind, slechts een handvol kilometers verder, mijn baken van troost, mijn walhalla, mijn oase van rust, Mijn Oostende.

Zelfs op dit onchristelijke uur is het dagjesvolk al om het schaarst gekleed en krijsend als een stel uitgehongerde meeuwen op zoek naar achteloze voorbijgangers met voedsel. Het plebs druppelt het statige Oostendse station uit. We zijn slechts een voorbode van de pletwals die de treinen de volgende uren zullen uitbraken. De etterbuil van mijn thuisstad B. scheurt hier, in Oostende, verder open.

De tram neemt me mee. Het harde gebonk, de felle, zoemende tl-buizen, de bemokkelde zetels; het zijn slechts voetnoten in mijn ererit naar de verlossing. Ik stap af. Halte Northlaan. Enkele stappen nog. Het strand van Oostende. Mijn Oostende. De apothekersklok op de dijk zegt 7.12 uur. Het geneest me van alle stress en beslommeringen.

Het is al dag en toch niet. De zon schijnt flauwtjes, hier en daar speelt een glinstering op de golven. Een zijden sluier hangt in de lucht. Alles is zacht. Dossiers en deadlines bestaan niet meer in deze onbevangen vroegte. Enkele auto’s tuffen gezapig richting echte straat, echte wereld. Vroege joggers dartelen over de plaveien. Het opgewaaide zand knarst onder hun ultralicht en fluorescerend schoeisel. Een ijverige fietser hoopt heel wat kilometers af te haspelen voor hij ’s middags afgepeigerd maar voldaan zijn grote helden uit de Tour kan bewonderen op tv. Zijn ingevette ketting draait unisoon rondjes. En dan zijn er de meeuwen. Trotse bewakers van het strand in plaats van de agressieve gedrochten uit het centrum van de stad. Hun geschreeuw klinkt herkenbaar. Geruststellend. Ze gedogen ons, de vermetelen die de lange tocht uit het centrum riskeren voor de rustige periferie.
Een uur hier is het beste medicijn. Tegen alles.

Op mooie dagen kan de dikke trui om 10.00 uur uit. De schoenen en kousen ook. Soms is het een halfuur later. Maak je er maar niet druk over. Nergens over.

Ik graai in mijn rugzak. Ondertussen ben ik al vier uur wakker. Mijn maag ook. Wat boterkoeken en een kleine thermos koffie later is het strand niet langer mijn patrimonium. Bezoekers komen schoorvoetend toe. Ze nestelen zich in het zachte zand en bakenen hun terrein af. Enorme strandhanddoeken worden wapperend neergelegd, plastic petanqueballen komen met een doffe plof in het zand liggen, een opblaasboot van Oasis maakt zich op voor zijn allereerste vaart. Maar de afstand blijft bewaard. Hier is het niet vechten om elke vierkante centimeter onontgonnen grond. Er heerst vrede.

Mensen van allerlei pluimage komen en gaan. Ik hou ervan ze te bekijken. Te beoordelen en veroordelen. Kledij is een teer punt. Maar het strand van Mariakerke staat veel toe. Het meest uit de kluiten gewassen heuptasje of de protsigste sandaal kan mijn humeur niet bederven. Hier niet.

Ik eet nog wat: gisteren in de supermarkt gekocht, vandaag een sterrenmaaltijd. Zicht op zee. Onbetaalbaar. Ik slenter de kabbelende golven tegemoet. Een strook schelpjes teistert mijn voetzolen. Een klein wad brengt afkoeling, voor de harde ribbels de laatste hindernis tot de waterlijn vormen. Met de zon op kop flaneer ik verder. De wind suist zacht langs mijn slapen. Raversijde is drie golfbrekers weg. Het volk dunt uit. Hier lijkt het strand nog niet ontdekt: Raversijde is een vrijstaat aan zee. Duinen duikelen over de dijk, meters ver omlaag, tot aan de Noordzee. Enkele zwemmers keren terug, druppels parelen op hun gebronzeerde lichamen. Achter mijn zonnebril keur ik.

En dan zie ik L. (Heet ze echt L.? Het idee bevalt me.)

Helemaal alleen rijst ze op uit het water. Met fluwelen handen streelt L. haar natte haren en wringt het zilte water weg. Ze ademt zwaar, ze heeft vast lang gezwommen. L. is groot en statig, als een godin. Sedna krijgt een gedaante. Ze wandelt niet, ze danst, ze zweeft over het zand. L. is een zeemeermin. Haar bruingetinte lichaam is van gezouten karamel. L.’s strakke buik bezorgt me tintelingen. Ze is nauwelijks enkele meters van me vandaan. Als ik niet heel erg oplet, loop ik zo tegen haar op.
L. kijkt me aan. (Sta ik hier nu gewoon stil, haar aan te gapen? Mijn Godin!) Ze glimlacht. Ik zie de mooiste rij tanden die ik ooit zag, parels uit de zee, blinkend uit de open schelp. L. loopt verder. (Moet ik iets zeggen? Gaf ze een teken?) Mijn blik volgt haar. Gebeeldhouwde billen geselen mijn fatsoen. Ze kijkt niet achterom. Ik sla mijn ogen neer en wandel. Het moet. Ik zie een grote roze villa in de duinen van Raversijde. (Staat er echt een villa in de duinen? Ben ik nog bij zinnen?)

Majestueus overschouwt ze haar strand. De villa wordt mijn paleis. Ons paleis. Van mijn godin en mij. Elke morgen wekken de meeuwen ons en lopen we, hand in hand, de kustbaan over, de dijk op, naar het strand tot aan de zee. We duiken in het water. We houden van elkaar en van de zee. Ik draag haar terug. L. zit op mijn rug. Haar natte haren hangen over onze schouders. Ze ademt in mijn oren. Het geeft niet. Ze ruikt naar oesters en vers gepelde garnalen. En naar rozen. L. ruikt altijd naar rozen. Ze klemt haar bruine armen om mijn borst. Ze kust me in de nek. In onze roze villa vrijen we elke dag. En s’ avonds zakt de zon. We zien de zon zakken in de zee. De zee zakt in de zon, de zak zont in de zee. L. en ik kijken uit, vanaf het balkon van onze roze villa en bestieren ons domein. Ons koninkrijk.

Ik sprint de dijk op. Ik loop terug richting Mariakerke en paniekerig waart mijn blik over het strand. Waar ben je, L.? Waar ben je, lieve lieve L.? Maar de Koningin van de Badstad laat zich niet meer zien. Turend ontleed ik elke meter zandgrond. Ik zie ijsjesverkopers, windzeilen, blauw-wit gestreept, spelende kinderen van een jeugdbeweging, allemaal met groen sjaaltje rond de nek. Houten palletjes klinken. Klik klak. Een te groot uitgevallen go-cart belt me weer bij bewustzijn. Geen L.

Mijmerend over mijn muze vat ik de terugtocht aan. Het lukt me niet om helder te denken. Ik wandel maar wat. Altijd rechtdoor en niet omkijken. Het wordt steeds drukker. Ik moet mijn schoenen aandoen want ik ga kapot van de pijn. De zon brandt ongenadig in mijn nek en ik wil drinken. Heb ik nog wat? Ik neem mijn rugzak van mijn schouders en voel. Ja, een flesje water. Warm.
Toch voel ik me, na mijn warme dronk, al minder ellendig. Nog steeds ellendig, maar minder. Ik baan me een weg door de steeds dichtere mensenmassa en sla af aan de Drie Gapers. Vanaf hier wordt de dijk immers ondoordringbaar gebied. Via Petit Paris en de Alfons Pieterslaan lukt het beter. Het station doemt al op in de verte. De straat hier ligt er ongezellig bij. Er is enkel schaduw en verkeer. Een prop pizzadoos steekt de straat over. Twee honden bekvechten. Dit is Mijn Oostende niet.

Op een bank in de stationshal laat ik alles bezinken. De grote uittocht is nog niet begonnen: er zitten amper drie andere mensen, netjes verspreid. Ik stroom leeg. Dikke tranen wellen op. Ik heb je nodig, L. Wij horen samen, jij en ik.

Ik verman me. Ik maak beloftes.
Aan mezelf.
Aan L.
Aan Mijn Oostende.
Het mooiste meisje van de kust. Mijn meisje.

EINDE

Fotocover © Lara Ghyselen