Ik kijk achterom en moet glimlachen. Het droge zand dat in kleine bergketens tegen de dijk aanligt. Er blijven geen sporen in na. Je plant er je hele zijn in, slungelig en verminkt maar niets dat die narrendans nog verraadt. Het strand, de ideale plek om spoorloos te zijn. De zon schittert en valt tussen de kieren van mijn oogleden. Is er een betere plek op aarde om volledig op te gaan in het zoete verleden van je jeugd? Met opgerolde broek in de kleine zeestromen te staan waar kinderen garnalen proberen vangen en waar vaders, met gloeiend rode ruggen en levensmoede zwemslippen die rafelig in een kuiltje onder hun billen hangen, loom naar hun kroost zwaaien.

Oh, waar zijn de tijden. De glimlach ligt nog op mijn gezicht en verplaatst zich een beetje naar mijn ogen die tranerig de wind inhaleren. Ik slenter naar de voet van de dijk waar ik tegen de opgewarmde stenen ga zitten. Met mijn ogen dicht vermoed ik het water, de menigte en de wind. De leegte tussen alle figuranten die zich, net als zand, omheen de dingen sluit. Mijn geliefde vleit haar hoofd in mijn schoot. Zo in mijzelf verstild door de zee was ik de vrolijke massa die al de hele tijd aan mijn hand hing even vergeten. Is er iets mooier dan een meisjeshoofd vol zomersproeten dat ondeugend naar je opkijkt? Het verborgene dat achter die zandkleurige ogen speelt, zo dichtbij. Kamers vol posters en vol geheime rituelen. Lange haren die gekamd worden op een krukje in het midden van de kamer. Tenen gestut met watten en nagels met gifgroen of helrood. Verzamelingen van allerlei eigenaardigheden waaruit hun hele persoonlijkheid moet blijken. Dagboeken vol liefde, leed en tranen. Gefezelde of giechelende verhalen die door de telefoonlijnen snellen richting nog zo een kleine verborgen wereld.

Ik streel door haar haren en zweef over haar huid. We dommelen even in en kijken weer op terwijl de scène constant verandert. We verzetten ons tegen de tijd, slaan het verstrijken ervan stil gade. Na een tijdje geraken mijn knieën verkrampt en staan we samen het zand van onze kleren te slaan op de nog warme tegels. We kiezen de Vlaanderenstraat om in de binnenstad te komen. Ik stap er de boekenwinkel binnen terwijl ik haar richting de winkels duw. Binnen word ik verwelkomd door een grijze man met een stoppelbaard zoals alleen een elektrisch apparaat stoppelbaarden kan scheren. Hij spuwt het Ostêns dialect warm in mijn gezicht. Ik versta hem half en houd wat afstand om de adem van een terend lichaam niet te moeten ruiken. Tweedehands boeken staan hier te springen om meegenomen te worden. Cees Nooteboom, ja die koop ik gewoon zonder nadenken. Held van de Nederlandse taal. De ouwe noteert alles in een schrift en bedankt me voor de aankoop. Dolgelukkig moet het boek zich voelen, weg uit de vergetelheid. We lopen hand in hand richting brasserie ‘Du Parc’. Altijd belanden we hier, zij en ik. We drinken er slappe koffie uit zo van die leuke oude doorloopkannetjes. Ik kom hier graag omdat onder de groen gestoffeerde stoelen en de zwarte leren banken de geest van de wereldoorlog kruipt, als een tweede werkelijkheid, verlangend naar die tijden vol betekenis en daadkracht. Mensen die druk binnen en buiten lopen, zwaaiend met nieuws dat op iets slaat en sigaretten. De zware rooknevel die alles hult in een sfeer van noodzakelijkheid. Op elke tafel overvolle asbakken en bodempjes klare en daartussen lawaai en getier gekneld. Vrolijke wanhoop. Soldaten op schoten van wulpse vrouwen in lange gewaden met allemaal zo een hoofdband op zoals in die jaren populair was.

Cees vertelt over zijn reis naar Santiago, beschrijft wat hij ziet, loopt wat rond, praat een beetje over de geschiedenis van elke plaats. En op een of andere manier is dit alles niet oersaai. Neen het zit vol leven, zijn leven. Zijn ogen, die kathedralen, ruïnes en landschappen in zich opzuigen, vermalen de materie en leggen ze aan het infuus van zijn werkelijkheid. Die man praat nooit over iets anders dan zichzelf zonder ons ooit te vervelen met een beschrijving van zijn oog dat op een bepaalde manier licht vangt, held. Mijn geliefde neemt afscheid. We zoenen één keer op de mond. Lippen die elkaar even vasthouden en dan zacht loskomen. Soms wou ik dat ik rookte. Dan zou ik nu naar buiten gaan, een sigaret bollen, een lucifer strijken en de knisperende tabak inhaleren. Ik zou naar binnen kijken en daar mijn tafeltje zien met het omgedraaide boek en het kannetje koffie, de melk onaangeroerd en het stiftje suiker verpulverd onder mijn nerveuze vingers. Vergenoegd smalen en mompelen met die sigaret in mijn mondhoek ‘dat ben ik’. Maar helaas, mijn mond beschermt mij door verschrikkelijke zweren te groeien als het weke vlees in contact komt met de venijnige rook. Dan moet ik aan de verse gemberthee voor een paar dagen en kan ik mijn geëxperimenteer met koffie niet verderzetten. Dat maakt me dan droef dus ik rook niet. Er komt een man binnen die van elke tafel wel een oog of een zinsnede commentaar moet verdragen. Wollen mantel met rechte kraag, paraplu in de hand – zwiepend, zwarte puntschoenen, leren handschoenen – krakerig, een zwarte kostuumbroek en dan, houdt u vast, een hoge donkere hoed zoals in de 19e eeuw in zwang was. De man bestelt iets als Sherry te zien aan het glas. Zijn hoge hoed staat op zijn handschoenen en die liggen op zijn keurig opgevouwen sjaal. Serieus? Ja ik denk het wel. Ook vermoed ik dat hij zuinig nipt, ja ik weet het bijna zeker, zuinig en met getuite lippen. Zijn profiel hangt in een waas van zonnestralen dus het is moeilijk op te maken of hij zo oud is als zijn kleren of gewoon op een of andere manier hip tracht te zijn. Zijn handen hebben zeker geleefd, er hangt wat zwaartekracht aan. Ik heb te lang gestaard want opeens boren twee grijsblauwe ogen zich in die van mij. Zeus, dacht ik nog, terwijl de haren op mijn arm alweer gaan liggen.

Mijn bilspieren raakten verkrampt dus ik sta buiten mijn sjaal tussen de revers van mijn kostuumjas te proppen. Het waait hard en in de lucht ruik je de regen al. Ik steek Cees in mijn jaszak en besluit om het natuurgeweld op te wachten aan de pier. Zand suist in slierten over het verlaten strand. Het duister valt uit de wolken en blijft hier en daar hangen. Ik stap het kleine strand naast de pier op en ga naar de golven kijken. Woest zou ik ze niet noemen maar ze gaan toch al aardig te keer. Ik raap een hoornschelp op om mijn vingers koest te houden. Kijk, dat noem ik nog eens wind. De lucht verplaatst zich zo snel dat ik er amper zuurstof uit kan trekken. Voorovergebogen narrendans ik naar het zijtrapje van de pier. De verlatenheid omarmt mij als een oude vriend. Geen omhulsels achter een vislijn, geen dravende kinderen. Mijn instinctieve reactie als zo een schaterende massa onschuld voorbij rent is om van hoog naast mijn oor en met de achterkant van mijn hand krachtig naar beneden te hakken. Dan verbaas ik mij over de woede die steeds als een doorzichtige film tussen mijn huid en zijn receptoren hangt, de context wazig maakt. Het is gewoon die ‘de wereld is van mij attitude’ dat ik graag zou neerslaan, vertel ik mezelf dan. Ik trippel en spring omdat ik alleen ben. Balanceer op de bankjes, tik in de lucht met mijn hielen tegen elkaar. Probeer een beetje mee te waaien door mijn kostuumvest als vleugels open te houden.

Regen druppelt over de houten balustrades, golven happen er ongeduldig naar. Ik sta tegen de toren geleund en bedenk dat ik nu een sigaret zou roken mocht ik roken. Een schip met een knappe kapiteinsdochter zou de gloeiende peuk zien en nachtenlang dromen van de verschilferde lippen erachter en de harde blik als zoutkristal, en ook zou ze verlangen naar verweerde handen over haar zacht blozende huid. Goed dat mijn geest zich probeert te verwarmen aan fantasietjes. Mijn kaak- en handspieren verstrammen. De haren op mijn arm verheffen zich omdat het koud is maar ook omdat er een hand lijkt te liggen op mijn linkerschouder. Ik verstijf en probeer te voelen maar met al dat loeien en kleinzielig machtsvertoon van de natuur voel ik juist niets, alleen die druk. Niet dwingend, niet aardig, alleen aanwezig. Na een tijdje lukt het mij te kijken. Inderdaad, een hand. Wat te doen? Angstaanjagend zou het moeten zijn maar het is op een vreemde manier geruststellend. Bliksem vertakt door de lucht en direct daarna breekt het wolkendek in luide stukken. Mijn schouders dreigen te verkrampen dus ik besluit mij nog waanzinniger voor te doen dan hij. Mijn vingers klemmen zich om een hand die duidelijk wat zwaartekracht heeft gekend en ik zing: ‘Longtemps, longtemps, longtemps après que les poètes ont disparu’.

EINDE

De nacht / Léon Spilliaert