Het was moeilijk om haar niet op te merken. Ze hoorde niet thuis op de houten bank in het derde klas coupé. Volledig in het zwart, haar gezicht verborgen achter een voile, leek ze me wel een schaduw.

Ik volgde haar, het station uit, langs de kade. De voile die over haar enorme hoed gedrapeerd was, golfde als een zeil in de wind. Af en toe was de boord van haar jurk zichtbaar onder haar mantel. Zwart borduursel op zwarte zijde. Haar netjes opgerolde paraplu bengelde over haar arm op het ritme van haar stappen. Hoewel de regen striemde en ze zichtbaar doordrongen, raakte wist ze blijkbaar wel beter dan hem te openen met die scherpe zijdelingse wind. Ze stopte om de straat over te steken. De voile kleefde nu aan haar gezicht. Zo kon ik een glimp opvangen van haar profiel. Zoals haar kwieke stap verraadde was ze nog jong, amper een vrouw. Een man met een stootkar stopte om haar over te laten. Ze liep de straat naar de Sint-Pieterskerk in, of liever wat ervan overbleef. Het gerucht ging dat de koning opdracht had gegeven om ze in brand te steken. Ik haastte me om haar te volgen. Ze passeerde de werf van wat de nieuwe kerk moest worden. Achter de toren ging ze naar links. In de smalle straatjes die volgden was de schemering al gevallen. Nu was ze echt niet meer dan een silhouet, een verschijning. Alleen de hakken van haar laarsjes die weerklonken op de klinkers hielden haar in deze wereld. Ik nam zoveel afstand als ik durfde nemen. Ik wilde vermijden dat ze bang werd. Ik volgde haar enkel uit nieuwsgierigheid. Waar ging ze naartoe, wie wachtte er op haar? En bijna was ik te laat. Terwijl ik de hoek omsloeg die zij een halve minuut eerder genomen had, zag ik haar aanbellen. Ik bukte me als om mijn schoenveters te knopen en keek vanonder de rand van mijn hoed hoe de deur haast meteen openging. In het schijnsel van het ganglicht kon ik nog net zien hoe een volumineuze vrouw met een grijze gebreide sjaal om de schouders haar omarmde, terwijl de deur langzaam achter hen dichtging.

Nu pas werd ik me ervan bewust hoe doorweekt ik zelf was en hoe koud ik het had. Ik wilde haar op papier, dat stond vast, maar ik kon me thuis zo niet vertonen. Mijn moeder zou een toeval krijgen. Ik moest me eerst ergens gaan opwarmen. Ik liep bij Emile langs maar hij was niet thuis. Dan maar naar de staminee. Hopelijk was die ouwe brompot van een Ensor er niet. ‘Ben je daar weer met je kindertekeningetjes’, had hij onlangs gezegd. ‘Leer schilderen man, maak je handen vuil, olie en terpentijn, daar moet je mee werken, mee zwoegen! En waarom ben je zo bang van het licht en de kleur! Mislukte fotograaf!’ Zo bleef hij maar doorgaan. Ik heb mijn centen op tafel gegooid en ben gevlucht, de nacht in. Ensor mag dan het licht willen schilderen, voor mij is de nacht veel interessanter. In de nacht worden alle katjes misschien grijs maar ook mysterieuzer. 

Ik installeerde me aan het tafeltje naast de Leuvense stoof. Simone schonk me een witteke in. Een man met een enorme rode neus zat te knikkebollen boven zijn halfleeg glas, duidelijk niet het eerste van de dag. In een hoek zat een vrouw stokstijf voor zich uit te staren. Haar ijlwitte gezicht werd deels overschaduwd door de brede rand van haar hoed, waardoor de wallen onder haar ogen zwart kleurden. Het enige teken van leven was het zachtjes op en neer gaan van het stukje boezem dat zichtbaar was boven de gekartelde rand van haar décolleté. Ik haalde mijn cahier uit mijn boekentas. In enkele minuten verscheen ze op mijn blad, haar haarlokken die over haar benige blote schouders hingen. Haar rechte neus en pruimenmondje. De sjaal die haar hals in een wurggreep leek te houden, de ketting met gitstenen. Simone keek mee over mijn schouder. Haar glimlach hield tegelijk een goedkeuring voor mijn schets en een afkeuring van het onderwerp in. Ongevraagd nam ze mijn doorweekte overjas en spreidde deze uit over enkele stoelen. ‘Zo!’, zei ze tevreden, ‘anders raakt die nooit droog, niet dat ik u weg wil jagen, meneer S.’ Meneer S. Alle klanten die volgens Simone haar respect verdienden sprak ze zo aan. ‘Respect en discretie!’, herhaalde ze graag. Bij het teruggaan naar de toog, griste ze het glas onder de neus van de man weg en zei: ‘Tijd om naar huis te gaan Hippolyte, het eten staat zeker al op het vuur!’ De vrouw in de hoek bedacht ze met een giftige blik en een diepe zucht. Niet dat die er iets van merkte.

Nadat de warmte van de stoof mijn verkleumde ledematen had opgewarmd en de wittekes voor een innerlijke gloed gezorgd hadden, was het ook voor mij hoog tijd om te gaan. Mijn overjas en hoed voelden nog klam aan. Gelukkig was de regen gestopt en waar de straten beschutting boden tegen de wind voelde het zelfs zacht aan. Maar op de hoek van de Vlaanderenstraat, daar waar de Ensors wonen, werd ik bijna omvergeblazen. De wind duwde me voort tot aan ons huis waar vader net de rolluiken van de winkel naar beneden liet. ‘Je bent zo laat, mijn jongen, je moeder was al ongerust.’ ‘Je hebt gedronken’, zei mijn moeder meteen. ‘Twee wittekes, om me op te warmen.’ Gelukkig had Josée mijn vochtige jas al aangenomen. De spiegel boven de schoorsteenmantel kaatste mijn asgrauw gelaat terug, de scherpe jukbeenderen, diep liggende ogen, neerhangende mondhoeken, het haar recht omhoog. Een schone jongen zal ik nooit worden. Ik bestudeerde een seconde mijn haarlijn. Jij wordt kaal aan een kant, had Paule me onlangs nog gezegd. Het was maar een plagerijtje, maar toch.

Zoals altijd had ik niet veel honger, niets smaakte me echt en ik was ongeduldig om naar boven te kunnen gaan om te werken. Ik moest het beeld van die jonge vrouw in de trein dringend vastleggen voor het vervaagde, maar de vrouw in de staminee was blijven plakken op mijn netvlies. Na enkele schamele pogingen gaf ik het op. Ik kreeg het benauwd, de lucht in mijn kamer leek me te zwaar. Ik gooide het raam open en leunde ver voorover. Zo kon ik net de maan zien. Ik wist, ik moest naar buiten. In de nachtlucht lijk ik altijd vrijer te kunnen ademen.

Ik wachtte tot ik niets meer hoorde in huis dan het tikken van de staande klok in de hal. De trap kraakte onder mijn kousenvoeten. Josée had mijn jas droog gekregen, hij was zelfs nog warm. Ik deed mijn schoenen aan en liep op mijn tenen naar buiten. De deur  leidde ik voorzichtig met mijn hand zodat ze geruisloos in het slot viel. De wind was gaan liggen maar de lucht voelde kil en vochtig aan. De lantaarns waren gehuld in een geelachtige waas. Ik liep richting dijk en passeerde het Wapenplein. De donkere gedaante van de kiosk deed me onwillekeurig mijn stap versnellen. Ik had het absurde gevoel dat ze me nakeek. Mijn voetstappen galmden tussen de hoge huizen. Verder was het akelig stil, zelfs de meeuwen sliepen op dit uur. Ik draaide de dijk op in de richting van het vernieuwde casino, het grote broertje van de kiosk lijkt hij wel. Er brandde nog licht en een man in avondkledij kwam net naar buiten. Zijn stap was onzeker, zijn hoge hoed wiebelde op zijn hoofd. Ik volgde hem met mijn blik terwijl hij in de richting van de gaanderij stapte. En dan zag ik haar. Ze stond daar waar de dijk een ronding maakt. Met beide handen op de leuning leek ze zich te willen afduwen. Ze droeg geen hoed en haar haren en sjaal wapperden achter haar aan. Ze leek wel een vogel die elk moment kon opvliegen. Ze was zuiver silhouet. Ik kon haar gezicht niet lezen maar boven het ruisen van de golven kon ik haar wel horen lachen. Ze lachte en lachte, een lach die klonk als een bevrijding. 

EINDE

De absintdrinkster / Léon Spilliaert