“And as the sun, that had been too afraid to show its face in this city, started to turn the black into grey, I smiled. Not out of happiness. But because I knew… that one day, I wouldn’t have to do this anymore. One day, I could stop fighting. Because one day… I would win. One day, there will be no pain, no loss, no crime. Because of me, because I fight. For you. One day, I will win.”
Brian Azzarello, Batman #625

Ik duik in de nacht en slinger me een weg tussen de hoge flatgebouwen van Ostend City, mijn cape wapperend achter me aan. Voorbijgangers kijken verschrikt in de lucht als mijn schaduw over hen heen glijdt. Onder me, in de natgeregende straten, huilt de stad. Zwervers warmen hun handen aan kleine vuurtjes en in een portiek scoort een junk een eenzame shot geluk. Limousines met kogelvrij koetswerk kruipen moeizaam door de Langestraat, op zoek naar hoertjes om een wilde nacht mee te beleven. Ik voel een steek van woede in mijn borst, maar vanavond laat ik het voor wat het is. Er hangt een spanning in de lucht. Iemand heeft andere plannen met de stad. Met een soepele beweging land ik op een waterspuwer van de Sint-Petrus-en-Pauluskerk. Ooit was dit gebouw een staaltje van neogotische pracht, maar nu is het niets meer dan een met klimplanten overwoekerde ruïne waar ontheemden hun intrek hebben genomen. Geruisloos laat ik me vallen op het balkon van haar torenkamer. Ik kijk nog even om me heen en tik dan zachtjes tegen het gebrandschilderde raam. Geschrokken trekt Sheyla het venster open, terwijl ze een kamerjas over haar zijden nachtjurk gooit. Ik stap binnen in de kleine leefruimte die verlicht is door tientallen kaarsen. ‘Alex! Waar ben je al die tijd geweest?!’ Ik antwoord niet meteen, maar druk de vingers van mijn rubberen handschoen tegen haar lippen; bloedrode strepen in een gezicht waaruit verder alle kleur is verdwenen. De adem stokt in mijn keel. ‘Noem me niet meer bij die naam.’ Sheyla zwijgt, maar ik zie de tranen opwellen in haar ogen. Eventjes aarzelt ze, dan werpt ze zich in mijn armen en drukt haar gezicht tegen de harde borstplaat van mijn vermomming. Maar de man aan wie zij zich vastklampt is al lang verdwenen. Zelfs ik weet niet meer wie hij is. Zonder masker, in de naaktheid van het bestaan, rest mij enkel nog een stille wanhoop.

Mijn oog valt op een foto waarop haar jongere versie een beloftevolle politieman omhelst; hij houdt trots zijn eervolle onderscheiding in de lucht. Daarnaast hangen krantenartikels waarvan de koppen weinig aan de verbeelding overlaten. “Kan deze held Ostend City redden?”
Het geluid van een enerverende jingle leidt mijn aandacht af van de knipsels. Sheyla deinst terug. De televisie floept automatisch aan en spuwt een hologram van lichtflitsen uit in de torenkamer. Er doemt een cruiseschip op voor de kust en dan verschijnt Shark in beeld. Omfloerst door een wolk van rook en in het felle licht van de schijnwerpers, betreedt hij het podium. Een enthousiast gejuich stijgt op onder de opvarenden als de gehaaide vastgoedmakelaar zijn publiek aankijkt. Zijn gladgeschoren hoofd geeft hem nog steeds een jonge indruk, maar het speelse blauw in zijn ogen is bevroren tot een ijzige kilte. Rond zijn hals hangt een ketting waaraan het met diamanten bezette logo van Shark Entreprises glinstert. Hij laat een lange stilte vallen terwijl zijn blik de zaal rondgaat. Als hij uiteindelijk begint te spreken, klinkt zijn stem verrassend zacht en kwetsbaar. ‘Dames en heren, welkom op Slum CruisesTM , waar u de kans krijgt om iemands leven voorgoed te veranderen.’ Het publiek begint te applaudisseren, maar de charismatische figuur legt hen met een korte handbeweging het zwijgen op. Daarna gaat hij verder, met een stem die steeds meer aan kracht wint. Ongewild begin ik mee te deinen op het ritme van zijn woorden. ‘Kwatongen fluisteren dat ik geld verdien aan de armen, maar dat is enkel omdat ze weigeren te zien hoe rijkelijk ik diegenen beloon die zich durven los te maken uit de kudde. Slum CruisesTM zoekt geen nieuwe slaven, maar sterke leiders met een wil tot macht!’ De toehoorders gaan uit de bol en ditmaal wacht Shark tot de zaal vanzelf terug tot rust komt. Ik voel mijn waakzaamheid wijken, maar Sheyla knijpt hard in mijn hand. ‘Adem, Alex! Probeer je ervan los te maken! Godverdomme, je wéét dat hij met onze hersenen prutst! Dat hele optreden zit vol subliminale boodschappen om ons gek te maken!’ Mijn hart bonkt in m’n keel. Met knipperende ogen wend ik me af van het hologram waar Shark zijn vurig betoog verder zet. Sheyla houdt nog steeds mijn hand vast. ‘Je moet hem stoppen!’ ‘Dat kan ik niet…’ ‘Shit, als er iemand is in deze stad die hém kan tegenhouden…’ Ze bonkt met haar vuisten op mijn harnas. Ik duw haar zachtjes van me af. ‘Ik kan misschien nog een klein beetje proberen de orde te herstellen in de straten, maar hier kan ik niet tegenop. Ik kan het enkel ondergaan. Het heeft geen zin meer, Sheyla.’ Snikkend zakt ze op de grond in elkaar. Ik stap door het openstaande raam naar buiten en verdwijn zonder achterom te kijken in de zwarte inkt van de nacht.

Het oude centrum is bedekt met een mantel van smog en mist, die tussen de nauwe steegjes hangt. Vanop het Europacentrum zie ik hoe de neon horizon van de Oosteroever aan de einder opdoemt. Ik stomp keihard met mijn gehandschoende vuist tegen de letters van het SHARK-logo, die als een lichtreclame op het dak van de wolkenkrabber zijn geplaatst. Vonken springen knetterend omhoog, er ontsnapt een flard rook en daarna dooft de rode gloed. Kon ik Shark ook maar zo makkelijk uitschakelen… Joe Shark, ooit een gevierd filosoof, is de grootste vastgoedmagnaat van Ostend City en een volbloed crimineel. De man mag dan wel zoete praatjes verkopen, maar de waarheid is een stuk grimmiger. Geholpen door koffers vol smeergeld en lucratieve wapendeals heeft hij bijna de hele nieuwe stad op de Oosteroever opgekocht, terwijl hij de misdaad in het centrum laat floreren om de prijzen van zijn torenhoge flatgebouwen de lucht in te jagen. Slum CruisesTM is het laatste idee dat aan zijn zieke brein is ontsproten. Stinkend rijke, maar verveelde inwoners van de upper East, varen zo dicht ze kunnen langs de kustlijn en gooien vervolgens drijvende zakjes met sieraden en edelstenen overboord. Daarna is het wachten tot de zee ze bij het ochtendgloren op het strand werpt en er een gevecht ontstaat tussen de arme stumperds die in het zand hun geluk komen zoeken. Alles wordt rechtstreeks uitgezonden en goktenten doen gouden zaken met weddenschappen over hoeveel bloed een sieraad zal laten vloeien. De enige spelregel daarbij is: hoe meer, hoe beter.

Het luide geschal van een misthoorn brengt me terug tot mijn positieven. Op zee, ter hoogte van het Klein Strand, worden vuurpijlen afgeschoten om de locatie van het cruiseschip aan te geven. Sirenes beginnen te loeien en van overal komen mensen de straten opgerend, waaronder verrassend veel kinderen. De blik van klatergoud schittert in hun ogen en hun magere handen omknellen zelfgemaakte wapens. Een enkeling is er zelfs in geslaagd om een revolver te bemachtigen. De hoorn schalt nogmaals en in antwoord daarop weerklinken wilde strijdkreten. Het duurt een hele poos voor de laatste gelukszoekers voorbij zijn getrokken en alles stiller wordt dan voorheen. Vanop mijn hoge uitkijkpost zie ik hoe de mensen toestromen op het strand en elkaar als een stelletje krijsende meeuwen een stuk van de vloedlijn bekampen. Ze waden erg diep in het water, maar bij sommigen laait de drang naar het verloren geluk zo hoog op dat ze als in een koortsdroom in het koude water springen en naar de met goud beladen schepen zwemmen. Bijna allemaal onderschatten ze de lange afstand en de sterke stroming die hun vermoeide lichaam uiteindelijk naar de zeebodem sleurt. De weinigen die sterk genoeg zijn, worden afgeknald nog voor ze de reling kunnen vastgrijpen. Hun lijken spoelen samen met de sieraden aan op het strand, waar het zand al snel rood kleurt met het bloed van de achterblijvers. Ik kan bijna horen hoe aan boord de champagnekurken knallen en plotseling zie ik weer het beeld van Sheyla voor me die snikkend op de grond in elkaar zakt.
‘Als er iemand is in deze stad die hém kan tegenhouden…’
Het is alsof er iets breekt in me. Misschien heb ik eindelijk het gevecht tegen mezelf gewonnen.

Met elke slag dringt het water dieper door in mijn pak en moet ik nóg harder tegen de stroming opboksen. Ik heb het gevoel al een hele tijd aan het zwemmen te zijn; toch lijkt het schip niet dichterbij te komen. Een huivering trekt door me heen als ik tegen een kleine jongen aanbots, die levenloos op zijn buik op de golven dobbert. Mijn lichaam is koud en een snerpende pijn trekt door al mijn spieren. Enkel háár beeld geeft me de kracht om verder te gaan. Eindelijk ben ik de cruise op slechts luttele meters genaderd. Met een laatste krachtsinspanning zwem ik tot tegen de boeg. De bewaking is opgeheven en de opvarenden staan op het dek te praten en te lachen. Shark mengt zich als een gladde aal tussen de deelnemers. Straks zal hij de cijfers bekend maken, maar hij kan nu al vertellen dat ze druipen van het bloed. De dames slaken enthousiaste gilletjes. De kale vastgoedmagnaat wandelt tot tegen de scheepsleuning en draait zich dan met zijn rug naar me toe terwijl hij zijn glas in de lucht heft. Iedereen houdt zijn adem in. Veel tijd om na te denken heb ik niet. Dit is mijn enige kans, zó dichtbij zal ik nooit meer geraken. Brullend hijs ik mij aan de reling uit het water en grijp hem vast bij zijn jas. Hij laat geschokt zijn glas vallen, struikelt en duikelt dan achterover het water in. Aan boord begint iedereen te gillen. Bewakers lopen naar de rand en richten hun wapen. Zoekspots worden aangestoken en op de grijsblauwe golven gericht. Maar ik ben al lang in de kolkende diepte verdwenen. Terwijl ik met mijn arm krachtige slagen maak, knijpt mijn vrije hand de keel van Shark genadeloos dicht. Grote luchtbellen gillend probeert hij zich met beide handen uit mijn ijzeren greep te bevrijden. Maar nu ik mijn kracht heb hervonden, laat ik niet meer los.

Wanneer het licht eindelijk door de wolken breekt, tik ik opnieuw tegen haar raam. ‘Ik heb iets voor je meegebracht…’ Ze slaakt een kreet van verbazing als ze de diamanten ziet glinsteren in mijn handschoen. ‘Maar hoe…?’ ‘Eens in de zoveel tijd werpen de golven een schat op het strand. Nu, draai je om en kijk in de spiegel hoe het je staat.’ Ze weet dat er bloed aan kleeft. Maar dan… er kleeft altijd bloed aan diamanten. Als ze zich omdraait om uit te roepen hoe prachtig ze het vindt, ben ik nergens meer te bespeuren.

EINDE

Fotocover van yourlifeonhold