Hier zit ze dan. Haar halflang bruin haar blinkt na een verfrissende douche. Ze is gekleed in een nieuwe sportieve outfit. Ze kijkt nog eens rond in haar kamer die bestaat uit een bed, een kleerkast met twee deuren, twee klapstoeltjes en dito tafeltje. Aan de muur hangen een kleine televisie en wat kadertjes met foto’s van geliefden. Aanpalend bevindt zich een badkamer met douche, toilet en lavabo. En als ‘troef’ een wijds zicht op de zee. Ze krijgt elke dag haar maaltijden op een dienblad geserveerd. Haar bed wordt voor haar opgemaakt en verschoond. Haar kledij wordt gewassen en gestreken. 

Veel mensen zullen haar wellicht benijden… 

Een verblijf met zicht op zee! Maar elk verhaal heeft een keerzijde. Zij kan niet echt genieten van dit prachtige uitzicht over de steeds anders uitziende zee. Ze zit namelijk gekluisterd aan een aftandse rolstoel, half verlamd. Sprakeloos. Want sinds anderhalf jaar kan ze geen begrijpelijk woord meer uitbrengen. Afasie noemen ze dit in het jargon. Ze heeft op diverse plaatsen hersenschade opgelopen na een banale knieoperatie. Ze kan ook niet meer lezen of schrijven. Dus communicatie met de buitenwereld is niet langer evident. Wat haar situatie zo erg maakt, is dat ze voor alles afhankelijk is van anderen. Dagdagelijkse dingen zoals naar het toilet gaan, zich wassen en aankleden… altijd heeft ze assistentie nodig.

Gelukkig krijgt ze vaak bezoek. Familie, vrienden en kennissen uit haar vroegere bestaan zijn haar gelukkig niet vergeten. Heel wat lieve mensen halen haar regelmatig uit haar isolement. 

Zoals een uitstapje vorige zomer: ‘De hittegolf die was aangekondigd was een feit. In de schaduw werd meer dan 30 graden opgemeten. De warmte bleef hangen als een mistige sluier. Mensen bewogen zich trager voort. Mijn bloes kleefde aan mijn huid. Ik kon er zelfs door de overmatige transpiratie dwars doorheen kijken. Ik vroeg me af waar ik wat verkoeling zou kunnen opzoeken en droomde weg… ik zat ter hoogte van de boeg van het pleziervaartuig de Franlis. De zwoele wind speelde door mijn haren. Ik voelde mij een beetje zoals in de film de Titanic. Alleen miste ik mijn tegenspeler… Het bootje kliefde door de vlakke zee. Aan boord waren een aantal meisjes met opgestoken haar. Ze dartelden over het dek en gooiden met schelpen – die ze net aan de vloedlijn hadden gevonden – in de zee. ‘Nee, die mooie kokkel wil ik bewaren, die mag niet in zee’, hoorde ik Noémie roepen. Ik had net haar naam opgevangen toen haar vriendinnetje haar wees op een breedvleugelige meeuw. Het beest scheerde langs ons heen. Net een arend, even schrikwekkend voor de kleine meisjes.’

Ik werd opgeschrikt door de aanwezigheid van twee kwebbelende dames in mijn kamer-met-zicht-op-zee: ‘Hééé, ga je mee naar zee?’ En of ik daar zin in had?  Ik knikte enthousiast en loste een aantal vreugdekreten. We namen de lift naar de gelijkvloerse verdieping en ze rolden mij richting dijk. Man, wat was het heet!  Zelfs ter hoogte van het strand was er niet echt verkoeling. Enkele meters verder kwam een container in zicht. ‘Hier kunnen we jou in een strandbuggy zetten en dan kan je met ons de zee in!’ Na heel wat hijs- en trekwerk lag ik in een maxirolstoel met brede gele rubberen banden. Het was niet zo evident om mij over het mulle zand te trekken, maar met wat hulp van buitenaf geraakte ik op het harde zand. Eventjes gewoon worden aan mijn nieuwe positie. Ik voelde het gespetter van spelende kinderen die over de golven sprongen. Zou ik het erop wagen? Het is al zolang geleden dat ik nog in de zee ben geweest.  Om mijn vertrouwen te winnen deden we een wandeling langs in plaats van door de zee. Maar eigenlijk wilde ik echte verkoeling. Ik deed teken dat ik er klaar voor was. Waw, wat voelde dit heerlijk aan! Het verfrissende water danste over mijn buik. Eén zijn met de natuur… Dat heb ik altijd al fijn gevonden…

Een aantal dagen later… Het zomerseizoen loopt bijna op z’n einde. Voor veel Oostendenaars is dit het topmoment van het jaar waar ze naar uitkijken om oude vrienden en bekenden tegen het lijf te lopen en samen een dorstlessende pint of één of meer jenevertje(s) te drinken. Wat er zich op het podium afspeelt, is soms van ondergeschikt belang, tenzij natuurlijk iemand zoals Arno geprogrammeerd staat. Ik was dan ook vroeg op post want mijn vriendin had me gewaarschuwd dat het zou drummen worden die avond.  We hadden ons al vooraan gepost op het speciaal daartoe voorziene podium voor rolstoelgebruikers met zicht over het Pier- en Polplein en op het grote podium waar straks mijn grote idool zou optreden. Intussen aten we een frietje en zongen we om in de sfeer te komen een aantal vissersliedjes van wijlen Lucy Loes. ‘Gie zie mien zeekapitein, gie zie mien zeekapitein…’ Stilaan liep het plein vol. De lucht werd donkerder. Het plein zou straks verzadigd zijn en met hekkens worden afgesloten. Maar of Arno op tijd zou komen, daar konden we alleen maar naar gissen. Er werd nog een extra voorprogramma ingelast. Dat voorspelde niet veel goeds. Nu ja, misschien was het tijd voor nog een overheerlijk hamburgertje. Dat was lang geleden! Plots begonnen mensen te scanderen: ‘Arno, Arno, Arno!’ Was hij dan toch gearriveerd? De lichten doofden en even later waren alle spots gericht op mijn jeugdidool. Dit werd een avond om nooit te vergeten! Oh la la, oh la la,… hoeveel keer heb ik daar niet op gedanst en gesprongen? Nu moet ik het stellen met wat stampen met mijn niet verlamde voet en zwaaien met mijn linkerarm. Maar toch, het doet deugd om er weer bij te horen en op te gaan in de ambiance van het moment.

De zomers in Oostende kunnen toch mooi zijn en straks weer de terugrit naar mijn kamer met zicht op zee…

EINDE

Marine, strand bij laagtij / Léon Spilliaert