Een perimeter van zeven verdiepingen op de rand van België en uitsluitend hardhorige buren onder mij. Met minder gaat het niet.

Ik heb mezelf volledig ontvriend, met de natuurlijkheid van een bonobo die zich elke dag ontluist. Ik heb ze genoeg bezig gezien in Congo. Ze nemen er de tijd voor.

Sinds de verkoop van het Antwerpse patrimonium en de daaropvolgende verhuis heb ik er een hobby van gemaakt. Een voor een moesten ze eraan geloven. Eerst en vooral mijn buitenlandse confraters die achteraf gezien toch eerder op de centen uit waren dan op mijn zielenrust. De blind geworden Etienne Mbonga, de enige getuige van mijn enige buffelmoord in zijn moederland. Na de dood van Mobutu hebben we elkaar niet meer gezien. Hij kon zich steeds minder van mijn heldendaad herinneren. Ook Jamal De Kerpel liet ik gaan. Ooit mijn beste dichterleerling. Rijmplekken in zijn schoolboeken het hele jaar door. Ik heb hem nooit op rijmdwang kunnen betrappen. Hij is nu een goedkope rapkoning op ’t Kiel. Wat ik vroeger hartgrondig bezwoer, heeft hij nu in zijn hart gesloten. Ik had het moeten weten. Zelfs de sympathieke collega Proost. Ze geeft nu Arabisch, geloof ik. Als laatste stuiptrekking werd me nog de laatstgeproclameerde van het college, Antoine Zwagerman, opgedrongen omdat die, toeval of niet, de rechten van de koper behartigde. Maar die heeft het dus uiteindelijk ook moeten bekopen.

Dat ontvrienden gebeurde met een eenvoudige muisklik. Eenzelfde onschuldige vingerbeweging waarmee ik onlangs twintigduizend gekelderde BP-aandelen kocht. Er was ontegensprekelijk onverschilligheid onder mijn leden gekropen.

De verkoop was onvermijdelijk. Temeer omdat onze schoolgebouwen meer vocht doorlieten dan het goddeloze Atheneum, zelfs na de brand in 2003. Ik was ook als enige resident niet meer in staat om bij elke stortvloed de inboedel te redden. Regenen doet het in België altijd, vooral ’s nachts. En water is onverbiddelijk.

De politie is op een dag ineens binnengevallen. Een witte camionet stond op de speelplaats. Kartonnen dozen werden van de vochtige zolders gehaald en door het raam gestoken. De lekken werden in kaart gebracht. Schimmels gefotografeerd, kelken leeggegoten en de schaamte geklasseerd.

Lesgeven mocht ik ineens niet meer. Ook al klonk het verbod door mijn pensioenleeftijd belachelijk, de impact op mijn persoon was immens. Mijn taal was plots bezoedeld. Het krijt te vochtig. De schoolboeken aan elkaar geklit. Gezelles roos verwelkt, Sjaalmans pak verraden, Noord en Zuid uiteen.

Alles moest weg! Ook de generaal. Hij kon niet blijven hangen. Zijn vaandel was besmeurd, zijn leger had gedeserteerd. Ik bleef voor dood liggen toen de boze moeders de onschuld van hun kinderen zochten. Ik sloop weg toen de storm was gaan liggen. Westwaarts. Aan de kust ziet men het snelst weer de zon, dacht ik. En ook het laatst. Hoe doen ze het toch? En ik belandde in Oostende. Mariakerke, ‘of all places’.

Ik vond de gsm in het midden van de zeedijk. Bijna voor mijn appartement. Net zoals bij de Steenwijks. Hij lag in een roze wollen babysokje. Misschien daarom dat hij onaangeroerd bleef, maar ik raapte hem op. Ik hield toch geen mensen meer verborgen, of wel?

Ik dacht aan een moeder die naarstig het tweede zelfgebreide kousje aan het zoeken was en vast overwoog om het hele eind met de hongerige peuter terug te lopen, maar dan overtuigde ik mezelf dat er waarschijnlijk geen kind in het spel was. Er zijn zelden kinderen in het spel. En als ze er zijn, dan heel even maar.

Het was een duur merk. Zonder uitstekende knopjes, maar met een venster dat naar mijn smaak buiten proportie was. Ik had het nauwelijks beroerd of er verscheen een foto van een zonnig meisje op de dijk wiens lange rosse haren met de sterke zeebries spelen, op de achtergrond de Oostendse vuurtoren die oplost in de mist. Na een tijdje verdween zij, samen met de mist en ik zag mezelf in de handetalage naar mezelf kijken.

Zo had ik een hele namiddag naar het ding zitten loeren, telkens ik voorbij de keukentafel liep om de laatste dozen uit te laden. Ik tikte op de glasplaat om vrouw, zee en toren uit het niets te laten herrijzen en merkte bij terugkomst enkel nog de vette vingerafdrukken die uitsluitend van mij konden zijn. Het sokje had zijn functie niet lang kunnen achterhouden.

Ze heeft werkelijk vuurrode haren. Vanaf het zevende lijkt het alsof ze een rode sjaal om het hoofd geslagen heeft en bij hevige wind staat haar hoofd in lichterlaaie. Op de meest zomerse stranddagen ligt ze in een felblauwe Flair-bikini voorbij de volgende barenbreker. Haar huid bruint niet, maar wordt paarsrood tegen valavond. Ze heeft zich blijkbaar al een nieuwe gsm aangeschaft, want ze belt honderduit.

De vuurtoren lichtte de eerste dagen meer op dan nu. Ik kon niet antwoorden. De taalstromen blokkeren nog steeds. Het ding zoemde zelfs ’s nachts, op de meest onmogelijke uren. De berichten logen er niet om. De mannen wilden haar duidelijk terug. En hoe?

Ik zweeg.

Morgen vertrekt ze. Ik heb het haar horen zeggen. Net voor het middaguur. Ideaal om de files te ontwijken. Mijn bloedarme tenen spelen met het warme zand en ik doe alsof ik lees. Haar gsm rust in mijn broekzak, als een nieuw relikwie, maar ik weiger het bidden te noemen.

Ik zie haar uit de golven overeind komen en de koperen haren over de rechterschouder deskundig uitwringen. Haar witte buik nadert en ik ben blij dat ik een boek vastheb. Mijn vingers omklemmen de opengeslagen kaft. De woorden brullen en beuken, maar taal brengt nog steeds geen soelaas.

Ze wandelt langs mij heen en zilte druppels vallen van haar natte lokken op mijn naakte voeten. Ik schrik van het contact. Impulsief mompel ik dat ze toch gewassen moesten worden. Ze wandelt ongegeneerd verder, droogt zich slordig af en gaat languit op de handdoek liggen.

Ik voel mijn wreven branden, want het koude water blust. Er gaat een rilling door mijn lichaam. Het strand lijkt ineens veel drukker. De vloedlijn is dichterbij gekropen, en zo ook de mensen. Ik voel een barst in de opgetrokken taaldam in mijn hoofd.

Ze leunt op de ellebogen en neemt haar gsm uit de strandtas en belt. Ze houdt haar hoofd schuin en kijkt verveeld over de uitdagende Flair-cover naar de verdwaalpaal met het bootje. Ze speelt met de ritssluiting en wacht. Op wie? Op een van haar nachtelijke minnaars?

Het ding springt op in mijn schoot. Ik klem de knieën tegen mijn borstkas en houd de adem in. De eerste woorden sijpelen door, maar ik weiger op te nemen. Als de trilling stopt, prijkt de boot nog steeds onwrikbaar boven het strand. Het wordt langzaam weer rustig rondom mij. De huid op mijn voeten is verbrand en droog, maar het bloed is eindelijk weergekeerd.

Ik wroet me recht uit het mulle zand en hoop uit de grond van mijn hart dat ze het gestuntel niet gadeslaat. Ze heeft zich ondertussen neergelegd. Ze slaapt of luistert ongestoord naar muziek die via oortjes uit haar strandzak komt. Ik negeer de luchtboot en stap behoedzaam in haar richting. Ik leg de gsm voorzichtig op de hoek van haar handdoek en wandel in de richting van het casino. Ik moet wel. Ik heb geen keus.

Het sokje zal hopelijk zijn werk doen.

EINDE

De windstoot / Léon Spilliaert